Avatar of Vocabulary Set Organiseren en verzamelen

Vocabulaireverzameling Organiseren en verzamelen in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Organiseren en verzamelen' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

arrange

/əˈreɪndʒ/

(verb) schikken, ordenen, regelen

Voorbeeld:

She arranged the flowers in a vase.
Ze schikte de bloemen in een vaas.

rearrange

/ˌriː.əˈreɪndʒ/

(verb) herschikken, herordenen

Voorbeeld:

We need to rearrange the furniture in the living room.
We moeten de meubels in de woonkamer herschikken.

compile

/kəmˈpaɪl/

(verb) compileren, verzamelen, opstellen

Voorbeeld:

She spent weeks compiling the data for her research.
Ze heeft wekenlang de gegevens voor haar onderzoek verzameld.

group

/ɡruːp/

(noun) groep, verzameling, band;

(verb) groeperen, indelen

Voorbeeld:

A group of students gathered outside the library.
Een groep studenten verzamelde zich buiten de bibliotheek.

accumulate

/əˈkjuː.mjə.leɪt/

(verb) accumuleren, ophopen, verzamelen

Voorbeeld:

Over the years, he accumulated a vast collection of books.
Door de jaren heen verzamelde hij een enorme collectie boeken.

file

/faɪl/

(noun) map, dossier, bestand;

(verb) archiveren, ordenen, indienen

Voorbeeld:

Please put these documents in the correct file.
Leg deze documenten alstublieft in de juiste map.

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

gather

/ˈɡæð.ɚ/

(verb) verzamelen, bijeenkomen, opmaken;

(noun) plooi, ruche

Voorbeeld:

A crowd began to gather outside the building.
Een menigte begon zich buiten het gebouw te verzamelen.

sort

/sɔːrt/

(noun) soort, type;

(verb) sorteren, ordenen, oplossen

Voorbeeld:

What sort of music do you like?
Wat voor soort muziek vind je leuk?

organize

/ˈɔːr.ɡən.aɪz/

(verb) ordenen, organiseren, regelen

Voorbeeld:

She helped him organize his thoughts.
Ze hielp hem zijn gedachten te ordenen.

categorize

/ˈkæt̬.ə.ɡə.raɪz/

(verb) categoriseren, indelen

Voorbeeld:

We need to categorize these documents by date.
We moeten deze documenten categoriseren op datum.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland