Vocabulaireverzameling Unit 4: Voor een betere gemeenschap in Graad 10: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 4: Voor een betere gemeenschap' in 'Graad 10' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;
(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden
Voorbeeld:
(noun) advertentie, reclame;
(verb) verwijzen naar, aandacht besteden aan
Voorbeeld:
(noun) advertentie, reclame
Voorbeeld:
(noun) aankondiging, bekendmaking
Voorbeeld:
(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;
(noun) impuls, stimulans
Voorbeeld:
(adjective) opgewekt, vrolijk, blij
Voorbeeld:
(noun) maatschappijleer, burgerschapskunde
Voorbeeld:
(noun) gemeenschap, buurt, samenleving
Voorbeeld:
(noun) gemeenschapsdienst, vrijwilligerswerk, taakstraf
Voorbeeld:
(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid
Voorbeeld:
(adjective) verward, in de war, ongeordend
Voorbeeld:
(noun) deadline, uiterste datum
Voorbeeld:
(verb) bezorgen, leveren, opleveren
Voorbeeld:
(verb) doneren, schenken
Voorbeeld:
(noun) donatie, schenking, bijdrage
Voorbeeld:
(adjective) eindeloos, onbegrensd, onophoudelijk
Voorbeeld:
(noun) voedselbank
Voorbeeld:
(adjective) gul, vrijgevig, ruim
Voorbeeld:
(adjective) betrokken, geïmpliceerd, ingewikkeld;
(past participle) betrokken, omvatte
Voorbeeld:
(noun) landverschuiving, aardverschuiving, overwinning
Voorbeeld:
(adjective) levensreddend
Voorbeeld:
(adjective) niet-gouvernementeel
Voorbeeld:
(noun) weeshuis
Voorbeeld:
(verb) deelnemen, participeren
Voorbeeld:
(noun) zakgeld
Voorbeeld:
(adjective) praktisch, bruikbaar, nuchter
Voorbeeld:
(noun) straf, bestraffing
Voorbeeld:
(verb) optillen, verhogen, vergroten;
(noun) salarisverhoging, loonsverhoging
Voorbeeld:
(adjective) afgelegen, ver, gering;
(noun) afstandsbediening
Voorbeeld:
(noun) zelfvertrouwen
Voorbeeld:
(adjective) onbaatzuchtig, zelfloos
Voorbeeld:
(adjective) ongebruikt, ongewoon aan, niet gewend aan
Voorbeeld:
(adjective) ongewenst, ongevraagd
Voorbeeld:
(adjective) nuttig, bruikbaar
Voorbeeld:
(adjective) diverse, verschillende, allerlei
Voorbeeld:
(noun) vrijwilliger;
(verb) vrijwillig aanbieden, zich aanmelden
Voorbeeld:
(noun) welzijn, welbevinden
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, ongerust
Voorbeeld:
(phrase) toevallig, bij toeval
Voorbeeld: