Avatar of Vocabulary Set Unit 4: Voor een betere gemeenschap

Vocabulaireverzameling Unit 4: Voor een betere gemeenschap in Graad 10: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Unit 4: Voor een betere gemeenschap' in 'Graad 10' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

access

/ˈæk.ses/

(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;

(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden

Voorbeeld:

The only access to the building was through a back alley.
De enige toegang tot het gebouw was via een achtersteeg.

advert

/ˈæd.vɝːt/

(noun) advertentie, reclame;

(verb) verwijzen naar, aandacht besteden aan

Voorbeeld:

I saw an advert for a new car on TV.
Ik zag een advertentie voor een nieuwe auto op tv.

advertisement

/ˌæd.vɚˈtaɪz.mənt/

(noun) advertentie, reclame

Voorbeeld:

The company placed an advertisement in the local newspaper.
Het bedrijf plaatste een advertentie in de lokale krant.

announcement

/əˈnaʊns.mənt/

(noun) aankondiging, bekendmaking

Voorbeeld:

The company made an announcement about its new product.
Het bedrijf deed een aankondiging over zijn nieuwe product.

boost

/buːst/

(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;

(noun) impuls, stimulans

Voorbeeld:

The new advertising campaign aims to boost sales.
De nieuwe reclamecampagne is gericht op het stimuleren van de verkoop.

cheerful

/ˈtʃɪr.fəl/

(adjective) opgewekt, vrolijk, blij

Voorbeeld:

She always has a cheerful disposition, even on Mondays.
Ze heeft altijd een opgewekte instelling, zelfs op maandag.

civics

/ˈsɪv.ɪks/

(noun) maatschappijleer, burgerschapskunde

Voorbeeld:

She excelled in her civics class, always eager to learn about government.
Ze blonk uit in haar maatschappijleerles, altijd leergierig over de overheid.

community

/kəˈmjuː.nə.t̬i/

(noun) gemeenschap, buurt, samenleving

Voorbeeld:

The local community organized a clean-up event.
De lokale gemeenschap organiseerde een opruimevenement.

community service

/kəˈmjuː.nə.ti ˌsɜːr.vɪs/

(noun) gemeenschapsdienst, vrijwilligerswerk, taakstraf

Voorbeeld:

She dedicates her weekends to community service at the local shelter.
Ze wijdt haar weekenden aan gemeenschapsdienst in de plaatselijke opvang.

confidence

/ˈkɑːn.fə.dəns/

(noun) vertrouwen, zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid

Voorbeeld:

She has great confidence in her team's abilities.
Ze heeft veel vertrouwen in de capaciteiten van haar team.

confused

/kənˈfjuːzd/

(adjective) verward, in de war, ongeordend

Voorbeeld:

She felt completely confused after waking up from the long nap.
Ze voelde zich volledig verward na het ontwaken uit de lange dut.

deadline

/ˈded.laɪn/

(noun) deadline, uiterste datum

Voorbeeld:

The deadline for submitting applications is Friday.
De deadline voor het indienen van aanvragen is vrijdag.

deliver

/dɪˈlɪv.ɚ/

(verb) bezorgen, leveren, opleveren

Voorbeeld:

The postman delivered the mail this morning.
De postbode bezorgde de post vanmorgen.

donate

/ˈdoʊ.neɪt/

(verb) doneren, schenken

Voorbeeld:

She decided to donate all her old clothes to a local shelter.
Ze besloot al haar oude kleren te doneren aan een plaatselijke opvang.

donation

/doʊˈneɪ.ʃən/

(noun) donatie, schenking, bijdrage

Voorbeeld:

The charity relies heavily on public donations.
De liefdadigheidsinstelling is sterk afhankelijk van publieke donaties.

endless

/ˈend.ləs/

(adjective) eindeloos, onbegrensd, onophoudelijk

Voorbeeld:

The desert stretched out before them, an endless expanse of sand.
De woestijn strekte zich voor hen uit, een eindeloze zandvlakte.

food bank

/ˈfuːd bæŋk/

(noun) voedselbank

Voorbeeld:

She volunteers at the local food bank every Saturday.
Ze werkt elke zaterdag vrijwillig bij de plaatselijke voedselbank.

generous

/ˈdʒen.ər.əs/

(adjective) gul, vrijgevig, ruim

Voorbeeld:

She is always generous with her time and help.
Ze is altijd gul met haar tijd en hulp.

involved

/ɪnˈvɑːlvd/

(adjective) betrokken, geïmpliceerd, ingewikkeld;

(past participle) betrokken, omvatte

Voorbeeld:

She got deeply involved in the community project.
Ze raakte diep betrokken bij het gemeenschapsproject.

landslide

/ˈlænd.slaɪd/

(noun) landverschuiving, aardverschuiving, overwinning

Voorbeeld:

The heavy rains caused a dangerous landslide.
De zware regenval veroorzaakte een gevaarlijke landverschuiving.

life-saving

/ˈlaɪfˌseɪvɪŋ/

(adjective) levensreddend

Voorbeeld:

The doctor performed a life-saving operation.
De dokter voerde een levensreddende operatie uit.

non-governmental

/ˌnɑːn ˌɡʌv.ɚnˈmen.t̬əl/

(adjective) niet-gouvernementeel

Voorbeeld:

The organization is a non-governmental entity.
De organisatie is een niet-gouvernementele entiteit.

orphanage

/ˈɔːr.fən.ɪdʒ/

(noun) weeshuis

Voorbeeld:

Many children found a home at the local orphanage.
Veel kinderen vonden een thuis in het plaatselijke weeshuis.

participate

/pɑːrˈtɪs.ə.peɪt/

(verb) deelnemen, participeren

Voorbeeld:

Everyone is encouraged to participate in the discussion.
Iedereen wordt aangemoedigd om te participeren in de discussie.

pocket money

/ˈpɑː.kɪt ˌmʌn.i/

(noun) zakgeld

Voorbeeld:

My parents gave me pocket money every week when I was a child.
Mijn ouders gaven me elke week zakgeld toen ik een kind was.

practical

/ˈpræk.tɪ.kəl/

(adjective) praktisch, bruikbaar, nuchter

Voorbeeld:

He has a lot of practical experience in engineering.
Hij heeft veel praktische ervaring in engineering.

punishment

/ˈpʌn.ɪʃ.mənt/

(noun) straf, bestraffing

Voorbeeld:

The criminal received a severe punishment for his crimes.
De crimineel kreeg een zware straf voor zijn misdaden.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

remote

/rɪˈmoʊt/

(adjective) afgelegen, ver, gering;

(noun) afstandsbediening

Voorbeeld:

The village is located in a remote area.
Het dorp ligt in een afgelegen gebied.

self-confidence

/ˌselfˈkɑːnfɪdəns/

(noun) zelfvertrouwen

Voorbeeld:

Her self-confidence grew with each success.
Haar zelfvertrouwen groeide met elk succes.

selfless

/ˈself.ləs/

(adjective) onbaatzuchtig, zelfloos

Voorbeeld:

Her selfless dedication to helping the poor was truly inspiring.
Haar onbaatzuchtige toewijding aan het helpen van de armen was werkelijk inspirerend.

unused

/ʌnˈjuːzd/

(adjective) ongebruikt, ongewoon aan, niet gewend aan

Voorbeeld:

The old bicycle sat unused in the garage for years.
De oude fiets stond jarenlang ongebruikt in de garage.

unwanted

/ʌnˈwɑːn.t̬ɪd/

(adjective) ongewenst, ongevraagd

Voorbeeld:

She received a lot of unwanted advice.
Ze kreeg veel ongewenst advies.

useful

/ˈjuːs.fəl/

(adjective) nuttig, bruikbaar

Voorbeeld:

This tool is very useful for fixing small electronics.
Dit gereedschap is erg nuttig voor het repareren van kleine elektronica.

various

/ˈver.i.əs/

(adjective) diverse, verschillende, allerlei

Voorbeeld:

There are various reasons for his decision.
Er zijn diverse redenen voor zijn beslissing.

volunteer

/ˌvɑː.lənˈtɪr/

(noun) vrijwilliger;

(verb) vrijwillig aanbieden, zich aanmelden

Voorbeeld:

Many volunteers helped clean up the park.
Veel vrijwilligers hielpen met het opruimen van het park.

well-being

/ˌwelˈbiː.ɪŋ/

(noun) welzijn, welbevinden

Voorbeeld:

Regular exercise contributes to overall well-being.
Regelmatige lichaamsbeweging draagt bij aan het algehele welzijn.

worried

/ˈwɝː.id/

(adjective) bezorgd, ongerust

Voorbeeld:

She was worried about her son's health.
Ze was bezorgd over de gezondheid van haar zoon.

by chance

/baɪ tʃæns/

(phrase) toevallig, bij toeval

Voorbeeld:

I met my old friend by chance at the airport.
Ik ontmoette mijn oude vriend toevallig op de luchthaven.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland