Avatar of Vocabulary Set B2 - Letter W

Vocabulaireverzameling B2 - Letter W in Oxford 3000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Letter W' in 'Oxford 3000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

wage

/weɪdʒ/

(noun) loon, salaris;

(verb) voeren, uitvoeren

Voorbeeld:

He earns a good wage for his hard work.
Hij verdient een goed loon voor zijn harde werk.

way

/weɪ/

(noun) manier, wijze, weg;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

There are many ways to solve this problem.
Er zijn veel manieren om dit probleem op te lossen.

weakness

/ˈwiːk.nəs/

(noun) zwakte, zwakheid, gebrek

Voorbeeld:

His sudden weakness after the illness was concerning.
Zijn plotselinge zwakte na de ziekte was zorgwekkend.

wealth

/welθ/

(noun) rijkdom, welvaart, overvloed

Voorbeeld:

He accumulated great wealth through his investments.
Hij vergaarde grote rijkdom door zijn investeringen.

wealthy

/ˈwel.θi/

(adjective) rijk, welgesteld

Voorbeeld:

He inherited a large sum from his wealthy aunt.
Hij erfde een grote som van zijn rijke tante.

whereas

/werˈæz/

(conjunction) terwijl, daarentegen, overwegende dat

Voorbeeld:

Some people like coffee, whereas others prefer tea.
Sommige mensen houden van koffie, terwijl anderen thee verkiezen.

wherever

/werˈev.ɚ/

(adverb) waar ook, overal waar;

(conjunction) waar ook, ongeacht de plaats

Voorbeeld:

You can sit wherever you like.
Je kunt zitten waar je maar wilt.

whisper

/ˈwɪs.pɚ/

(verb) fluisteren;

(noun) fluistering

Voorbeeld:

She leaned in to whisper a secret in his ear.
Ze leunde voorover om een geheim in zijn oor te fluisteren.

whom

/huːm/

(pronoun) wie

Voorbeeld:

To whom it may concern.
Aan wie het aangaat.

widely

/ˈwaɪd.li/

(adverb) breed, wijdverbreid, wijd

Voorbeeld:

The new policy was widely accepted.
Het nieuwe beleid werd breed geaccepteerd.

wildlife

/ˈwaɪld.laɪf/

(noun) wilde dieren, fauna

Voorbeeld:

The national park is home to diverse wildlife.
Het nationale park is de thuisbasis van diverse wilde dieren.

willing

/ˈwɪl.ɪŋ/

(adjective) bereid, willig, genegen

Voorbeeld:

She is always willing to help others.
Ze is altijd bereid om anderen te helpen.

wind

/wɪnd/

(noun) wind, adem, lucht;

(verb) winden, kronkelen, opwinden

Voorbeeld:

The wind blew strongly from the west.
De wind waaide krachtig uit het westen.

wire

/waɪr/

(noun) draad, afluisterapparaat, microfoon;

(verb) overmaken, bedraden, installeren

Voorbeeld:

The fence was made of barbed wire.
Het hek was gemaakt van prikkeldraad.

wise

/waɪz/

(adjective) wijs, verstandig;

(suffix) gewijs, wat betreft

Voorbeeld:

She gave me some wise advice about my career.
Ze gaf me wat wijze raad over mijn carrière.

witness

/ˈwɪt.nəs/

(noun) getuige, bewijs, getuigenis;

(verb) getuige zijn van, zien, getuigen van

Voorbeeld:

The police are looking for a witness to the robbery.
De politie zoekt een getuige van de overval.

worse

/wɝːs/

(adjective) slechter, erger;

(adverb) slechter, erger;

(noun) het ergste, het slechtere

Voorbeeld:

The weather got worse as the day went on.
Het weer werd slechter naarmate de dag vorderde.

worst

/wɝːst/

(adjective) slechtste;

(adverb) het slechtst, het ergst;

(noun) het slechtste, het ergste

Voorbeeld:

This is the worst movie I've ever seen.
Dit is de slechtste film die ik ooit heb gezien.

worth

/wɝːθ/

(noun) waarde, verdienste, prijs;

(adjective) waard

Voorbeeld:

The painting has great artistic worth.
Het schilderij heeft grote artistieke waarde.

wound

/wuːnd/

(noun) wond, blessure, kwetsing;

(verb) verwonden, kwetsen, pijn doen

Voorbeeld:

The doctor cleaned the deep wound on his arm.
De dokter reinigde de diepe wond op zijn arm.

wrap

/ræp/

(verb) wikkelen, inpakken, afronden;

(noun) omslagdoek, wikkel, wrap

Voorbeeld:

She decided to wrap the gift in colorful paper.
Ze besloot het cadeau in kleurrijk papier te wikkelen.

wrong

/rɑːŋ/

(adjective) fout, verkeerd, onjuist;

(adverb) verkeerd, fout;

(noun) fout, onrecht;

(verb) onrecht aandoen, benadelen

Voorbeeld:

You got the answer wrong.
Je hebt het antwoord fout.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland