Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter M

Vocabulaireverzameling B1 - Letter M in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter M' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

mad

/mæd/

(adjective) gek, waanzinnig, boos

Voorbeeld:

The old man seemed completely mad, talking to himself in the street.
De oude man leek volkomen gek, pratend tegen zichzelf op straat.

magic

/ˈmædʒ.ɪk/

(noun) magie, toverkunst, charme;

(adjective) magisch, betoverend;

(verb) toveren, wegtoveren

Voorbeeld:

She believed in the power of magic.
Ze geloofde in de kracht van magie.

mainly

/ˈmeɪn.li/

(adverb) voornamelijk, hoofdzakelijk, grotendeels

Voorbeeld:

The audience was mainly students.
Het publiek bestond voornamelijk uit studenten.

mall

/mɑːl/

(noun) winkelcentrum, promenade, wandelpromenade

Voorbeeld:

Let's go to the mall this weekend.
Laten we dit weekend naar het winkelcentrum gaan.

management

/ˈmæn.ədʒ.mənt/

(noun) beheer, management, leiding

Voorbeeld:

The successful management of the project led to its early completion.
Het succesvolle beheer van het project leidde tot de vroege voltooiing ervan.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

marketing

/ˈmɑːr.kɪ.t̬ɪŋ/

(noun) marketing

Voorbeeld:

Our company needs a strong marketing strategy to reach more customers.
Ons bedrijf heeft een sterke marketingstrategie nodig om meer klanten te bereiken.

marriage

/ˈmer.ɪdʒ/

(noun) huwelijk, echtverbintenis, combinatie

Voorbeeld:

Their marriage lasted for fifty years.
Hun huwelijk duurde vijftig jaar.

meanwhile

/ˈmiːn.waɪl/

(adverb) ondertussen, intussen;

(noun) tussentijd, ondertussen

Voorbeeld:

The pizza will be ready in 10 minutes. Meanwhile, let's set the table.
De pizza is over 10 minuten klaar. Ondertussen dekken we de tafel.

measure

/ˈmeʒ.ɚ/

(verb) meten, opmeten, bedragen;

(noun) maatstaf, meetmethode, maatregel

Voorbeeld:

The tailor will measure you for a new suit.
De kleermaker zal je opmeten voor een nieuw pak.

medium

/ˈmiː.di.əm/

(noun) medium, middel, helderziende;

(adjective) medium, gemiddeld

Voorbeeld:

Television is a powerful medium for advertising.
Televisie is een krachtig medium voor reclame.

mental

/ˈmen.təl/

(adjective) mentaal, geestelijk, geestelijk ziek;

(noun) geestelijk zieke, patiënt met psychische aandoening

Voorbeeld:

She's suffering from mental fatigue.
Ze lijdt aan mentale vermoeidheid.

mention

/ˈmen.ʃən/

(verb) vermelden, noemen;

(noun) vermelding, aanduiding

Voorbeeld:

Did he mention where he was going?
Heeft hij vermeld waar hij heen ging?

mess

/mes/

(noun) rommel, puinhoop, probleem;

(verb) vervuilen, rommelig maken, verknoeien

Voorbeeld:

The room was a complete mess after the party.
De kamer was een complete puinhoop na het feest.

mild

/maɪld/

(adjective) mild, licht, zachtaardig

Voorbeeld:

She suffered a mild headache.
Ze had een milde hoofdpijn.

mine

/maɪn/

(noun) mijn, groeve, bom;

(verb) delven, mijnen, mijnen leggen;

(pronoun) mijn, de mijne

Voorbeeld:

The coal mine was closed due to safety concerns.
De kolenmijn werd gesloten vanwege veiligheidsproblemen.

mix

/mɪks/

(verb) mengen, mixen, socialiseren;

(noun) mix, mengsel

Voorbeeld:

Mix the flour and water to make a dough.
Meng de bloem en het water om een deeg te maken.

mixture

/ˈmɪks.tʃɚ/

(noun) mengsel, mix, mengeling

Voorbeeld:

The cake batter is a mixture of flour, sugar, and eggs.
Het cakedeeg is een mengsel van bloem, suiker en eieren.

mood

/muːd/

(noun) humeur, stemming, sfeer

Voorbeeld:

She's been in a bad mood all day.
Ze is de hele dag al in een slecht humeur.

move

/muːv/

(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;

(noun) beweging, zet, verhuizing

Voorbeeld:

The car began to move slowly down the street.
De auto begon langzaam de straat af te bewegen.

mud

/mʌd/

(noun) modder, slijk;

(verb) modderen, besmeuren met modder

Voorbeeld:

The car got stuck in the deep mud.
De auto kwam vast te zitten in de diepe modder.

murder

/ˈmɝː.dɚ/

(noun) moord, marteling, hel;

(verb) vermoorden, doden, verpesten

Voorbeeld:

He was charged with murder.
Hij werd aangeklaagd voor moord.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

musical

/ˈmjuː.zɪ.kəl/

(adjective) muzikaal, muziekliefhebbend;

(noun) musical

Voorbeeld:

She has a great musical talent.
Ze heeft een groot muzikaal talent.

mystery

/ˈmɪs.tɚ.i/

(noun) mysterie, raadsel, detective

Voorbeeld:

The disappearance of the ancient civilization remains a mystery.
De verdwijning van de oude beschaving blijft een mysterie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland