Avatar of Vocabulary Set Ziekenhuis

Vocabulaireverzameling Ziekenhuis in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Ziekenhuis' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

radiologist

/ˌreɪ.diˈɑː.lə.dʒɪst/

(noun) radioloog

Voorbeeld:

The radiologist reviewed the MRI scans to check for any abnormalities.
De radioloog bekeek de MRI-scans om te controleren op afwijkingen.

emergency room

/ɪˈmɜːr.dʒən.si ˌruːm/

(noun) spoedeisende hulp, eerste hulp

Voorbeeld:

He was rushed to the emergency room after the accident.
Hij werd na het ongeluk naar de spoedeisende hulp gebracht.

obstetrician

/ˌɑːb.stəˈtrɪʃ.ən/

(noun) verloskundige, obstetricus

Voorbeeld:

My sister is seeing an obstetrician for her pregnancy.
Mijn zus bezoekt een verloskundige voor haar zwangerschap.

operating room

/ˈɑː.pə.reɪ.tɪŋ ˌruːm/

(noun) operatiekamer

Voorbeeld:

The patient was wheeled into the operating room for surgery.
De patiënt werd de operatiekamer ingereden voor een operatie.

needle

/ˈniː.dəl/

(noun) naald, wijzer, dennennaald;

(verb) prikkelen, plagen

Voorbeeld:

She threaded the needle with blue yarn.
Ze reeg de blauwe draad door de naald.

laboratory

/ˈlæb.rə.tɔːr.i/

(noun) laboratorium, lab

Voorbeeld:

The scientists conducted experiments in the laboratory.
De wetenschappers voerden experimenten uit in het laboratorium.

pharmacy

/ˈfɑːr.mə.si/

(noun) apotheek, farmacie, apothekerskunst

Voorbeeld:

I need to go to the pharmacy to pick up my prescription.
Ik moet naar de apotheek om mijn recept op te halen.

hospital bed

/ˈhɑː.spɪ.təl ˌbed/

(noun) ziekenhuisbed

Voorbeeld:

The patient was resting comfortably in the hospital bed.
De patiënt rustte comfortabel in het ziekenhuisbed.

call button

/ˈkɑːl ˌbʌt.ən/

(noun) oproepknop, belknop

Voorbeeld:

Press the call button if you need assistance.
Druk op de oproepknop als u hulp nodig heeft.

doctor

/ˈdɑːk.tɚ/

(noun) dokter, arts, doctor;

(verb) vervalsen, manipuleren, repareren

Voorbeeld:

The doctor examined the patient carefully.
De dokter onderzocht de patiënt zorgvuldig.

nurse

/nɝːs/

(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;

(verb) verplegen, verzorgen, voeden

Voorbeeld:

The nurse checked the patient's vital signs.
De verpleegkundige controleerde de vitale functies van de patiënt.

gurney

/ˈɡɝː.ni/

(noun) brancard, ziekenhuisbed op wielen

Voorbeeld:

The paramedics carefully placed the injured person on the gurney.
De paramedici plaatsten de gewonde persoon voorzichtig op de brancard.

waiting room

/ˈweɪtɪŋ ruːm/

(noun) wachtkamer

Voorbeeld:

The doctor's waiting room was full of patients.
De wachtkamer van de dokter zat vol patiënten.

surgeon

/ˈsɝː.dʒən/

(noun) chirurg

Voorbeeld:

The surgeon performed a complex operation.
De chirurg voerde een complexe operatie uit.

midwife

/ˈmɪd.waɪf/

(noun) vroedvrouw, verloskundige

Voorbeeld:

The midwife helped deliver the baby safely.
De vroedvrouw hielp de baby veilig ter wereld brengen.

injection

/ɪnˈdʒek.ʃən/

(noun) injectie, prik, inbreng

Voorbeeld:

The nurse gave him an injection to relieve the pain.
De verpleegster gaf hem een injectie om de pijn te verlichten.

calcium

/ˈkæl.si.əm/

(noun) calcium

Voorbeeld:

Milk is a good source of calcium.
Melk is een goede bron van calcium.

hospital

/ˈhɑː.spɪ.t̬əl/

(noun) ziekenhuis

Voorbeeld:

She was rushed to the hospital after the accident.
Ze werd na het ongeluk naar het ziekenhuis gebracht.

crutch

/krʌtʃ/

(noun) kruk, steun, hulpmiddel;

(verb) met krukken lopen, ondersteunen met krukken

Voorbeeld:

After the accident, he had to use a crutch to walk.
Na het ongeluk moest hij een kruk gebruiken om te lopen.

wheelchair

/ˈwiːl.tʃer/

(noun) rolstoel

Voorbeeld:

The patient uses a wheelchair to move around the hospital.
De patiënt gebruikt een rolstoel om zich in het ziekenhuis te verplaatsen.

paramedic

/ˌper.əˈmed.ɪk/

(noun) paramedicus, ambulanceverpleegkundige

Voorbeeld:

The paramedic quickly assessed the injured cyclist.
De paramedicus beoordeelde snel de gewonde fietser.

stretcher

/ˈstretʃ.ɚ/

(noun) brancard

Voorbeeld:

The paramedics used a stretcher to carry the injured hiker.
De paramedici gebruikten een brancard om de gewonde wandelaar te dragen.

rush

/rʌʃ/

(verb) haasten, spoeden, versnellen;

(noun) stroom, haast, spits;

(adjective) gehaast, overhaast

Voorbeeld:

She had to rush to catch her train.
Ze moest haasten om haar trein te halen.

treat

/triːt/

(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;

(noun) traktatie, verwennerij, rondje

Voorbeeld:

She treats everyone with respect.
Ze behandelt iedereen met respect.

condition

/kənˈdɪʃ.ən/

(noun) staat, conditie, voorwaarde;

(verb) conditioneren, trainen

Voorbeeld:

The car is in excellent condition.
De auto is in uitstekende staat.

recovery

/rɪˈkʌv.ɚ.i/

(noun) herstel, genezing, terugvordering

Voorbeeld:

Her recovery from the illness was slow but steady.
Haar herstel van de ziekte was langzaam maar gestaag.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

deteriorate

/dɪˈtɪr.i.ə.reɪt/

(verb) verslechteren, achteruitgaan

Voorbeeld:

The weather conditions began to deteriorate rapidly.
De weersomstandigheden begonnen snel te verslechteren.

coma

/ˈkoʊ.mə/

(noun) coma

Voorbeeld:

He has been in a coma for three weeks after the accident.
Hij ligt al drie weken in een coma na het ongeluk.

common cold

/ˌkɑː.mən ˈkoʊld/

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

I've got a terrible common cold and can't stop sneezing.
Ik heb een vreselijke verkoudheid en kan niet stoppen met niezen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland