Avatar of Vocabulary Set Top 326 - 350 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 326 - 350 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 326 - 350 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

item

/ˈaɪ.t̬əm/

(noun) item, artikel, stuk

Voorbeeld:

Please check each item on the list.
Controleer elk item op de lijst.

success

/səkˈses/

(noun) succes, welslagen, succesnummer

Voorbeeld:

Her hard work led to the success of the project.
Haar harde werk leidde tot het succes van het project.

sister

/ˈsɪs.tɚ/

(noun) zus, zuster, collega

Voorbeeld:

My older sister lives in London.
Mijn oudere zus woont in Londen.

brother

/ˈbrʌð.ɚ/

(noun) broer, broeder, kameraad

Voorbeeld:

My older brother lives in New York.
Mijn oudere broer woont in New York.

engine

/ˈen.dʒɪn/

(noun) motor, machine, locomotief

Voorbeeld:

The car's engine started with a roar.
De motor van de auto startte met een brul.

feature

/ˈfiː.tʃɚ/

(noun) kenmerk, eigenschap, reportage;

(verb) kenmerken, bevatten, een prominente rol spelen

Voorbeeld:

The new phone has many exciting features.
De nieuwe telefoon heeft veel spannende functies.

ball

/bɑːl/

(noun) bal, dansfeest;

(verb) ballen, opballen

Voorbeeld:

The children were playing with a red ball in the park.
De kinderen speelden met een rode bal in het park.

purpose

/ˈpɝː.pəs/

(noun) doel, streven, vastberadenheid;

(verb) van plan zijn, beogen

Voorbeeld:

The purpose of the meeting is to discuss the new project.
Het doel van de vergadering is om het nieuwe project te bespreken.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

dream

/driːm/

(noun) droom, aspiratie, ideaal;

(verb) dromen, aspireren

Voorbeeld:

I had a strange dream last night.
Ik had een vreemde droom gisteravond.

style

/staɪl/

(noun) stijl, mode, manier;

(verb) stylen, vormgeven, ontwerpen

Voorbeeld:

The new building has a modern style.
Het nieuwe gebouw heeft een moderne stijl.

detail

/dɪˈteɪl/

(noun) detail, onderdeel;

(verb) gedetailleerd beschrijven, specificeren

Voorbeeld:

The artist paid great attention to every detail in the painting.
De kunstenaar besteedde veel aandacht aan elk detail in het schilderij.

blindness

/ˈblaɪnd.nəs/

(noun) blindheid, onwetendheid

Voorbeeld:

She has suffered from congenital blindness since birth.
Ze lijdt sinds haar geboorte aan aangeboren blindheid.

society

/səˈsaɪ.ə.t̬i/

(noun) samenleving, maatschappij, vereniging

Voorbeeld:

Modern society faces many challenges.
De moderne samenleving staat voor veel uitdagingen.

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.

stock

/stɑːk/

(noun) voorraad, goederen, aandeel;

(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;

(adjective) op voorraad, beschikbaar

Voorbeeld:

The store has a large stock of electronics.
De winkel heeft een grote voorraad elektronica.

while

/waɪl/

(noun) tijd, poos;

(conjunction) terwijl, gedurende, hoewel;

(verb) verdoen, doorbrengen

Voorbeeld:

I haven't seen her for a while.
Ik heb haar al een tijdje niet gezien.

function

/ˈfʌŋk.ʃən/

(noun) functie, doel, bijeenkomst;

(verb) functioneren, werken

Voorbeeld:

The main function of the heart is to pump blood.
De belangrijkste functie van het hart is het pompen van bloed.

practice

/ˈpræk.tɪs/

(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;

(verb) oefenen, trainen, uitoefenen

Voorbeeld:

It's a good theory, but it won't work in practice.
Het is een goede theorie, maar het zal in de praktijk niet werken.

road

/roʊd/

(noun) weg, straat, koers

Voorbeeld:

The new road connects the two cities.
De nieuwe weg verbindt de twee steden.

heat

/hiːt/

(noun) hitte, warmte, hartstocht;

(verb) verwarmen, opwarmen

Voorbeeld:

The heat from the sun was intense.
De hitte van de zon was intens.

ice

/aɪs/

(noun) ijs, ijsje, sorbet;

(verb) bevriezen, koelen, glazuren

Voorbeeld:

The lake was covered with a thick layer of ice.
Het meer was bedekt met een dikke laag ijs.

meal

/mɪəl/

(noun) maaltijd, eten

Voorbeeld:

We had a delicious meal at the new restaurant.
We hadden een heerlijke maaltijd in het nieuwe restaurant.

hearing

/ˈhɪr.ɪŋ/

(noun) gehoor, hoorzitting, verhoor

Voorbeeld:

Her hearing is excellent for her age.
Haar gehoor is uitstekend voor haar leeftijd.

vision

/ˈvɪʒ.ən/

(noun) zicht, gezichtsvermogen, visie

Voorbeeld:

Her vision is excellent, even without glasses.
Haar zicht is uitstekend, zelfs zonder bril.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland