Avatar of Vocabulary Set Top 201 - 225 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 201 - 225 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 201 - 225 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

result

/rɪˈzʌlt/

(noun) resultaat, gevolg, uitslag;

(verb) resulteren in, voortvloeien uit

Voorbeeld:

The positive result of the experiment was celebrated.
Het positieve resultaat van het experiment werd gevierd.

tree

/triː/

(noun) boom, diagram;

(verb) de boom injagen, opjagen

Voorbeeld:

The old oak tree stood tall in the forest.
De oude eikenboom stond hoog in het bos.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

button

/ˈbʌt̬.ən/

(noun) knoop, knop;

(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken

Voorbeeld:

She sewed a new button on her coat.
Ze naaide een nieuwe knoop op haar jas.

office

/ˈɑː.fɪs/

(noun) kantoor, bureau, ambt

Voorbeeld:

I'll be at the office until 6 PM.
Ik ben tot 18.00 uur op kantoor.

ability

/əˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) vermogen, bekwaamheid

Voorbeeld:

She has the ability to learn new languages quickly.
Ze heeft het vermogen om snel nieuwe talen te leren.

goal

/ɡoʊl/

(noun) doel, streven, doelpunt

Voorbeeld:

My main goal is to finish this project on time.
Mijn belangrijkste doel is om dit project op tijd af te krijgen.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

research

/ˈriː.sɝːtʃ/

(noun) onderzoek, studie;

(verb) onderzoeken, bestuderen

Voorbeeld:

She is conducting research on climate change.
Zij doet onderzoek naar klimaatverandering.

narrator

/ˈner.eɪ.t̬ɚ/

(noun) verteller, verhalenverteller

Voorbeeld:

The story is told from the perspective of an unreliable narrator.
Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een onbetrouwbare verteller.

record

/rɪˈkɔːrd/

(noun) plaat, grammofoonplaat, record;

(verb) opnemen, vastleggen, registreren

Voorbeeld:

She put on an old jazz record.
Ze zette een oude jazzplaat op.

role

/roʊl/

(noun) rol, functie

Voorbeeld:

She played the leading role in the new movie.
Ze speelde de hoofdrol in de nieuwe film.

list

/lɪst/

(noun) lijst;

(verb) lijsten, opsommen

Voorbeeld:

Make a shopping list before you go to the store.
Maak een boodschappenlijst voordat je naar de winkel gaat.

pressure

/ˈpreʃ.ɚ/

(noun) druk, spanning, dwang;

(verb) onder druk zetten, dwingen

Voorbeeld:

The deep sea diver experienced immense pressure.
De diepzeeduiker ervoer immense druk.

season

/ˈsiː.zən/

(noun) seizoen, jaargetijde;

(verb) kruiden, op smaak brengen

Voorbeeld:

Autumn is my favorite season.
De herfst is mijn favoriete seizoen.

bunch

/bʌntʃ/

(noun) bos, tros, boel;

(verb) plooien, ballen, samentrekken

Voorbeeld:

She bought a bunch of grapes.
Ze kocht een bos druiven.

development

/dɪˈvel.əp.mənt/

(noun) ontwikkeling, gebeurtenis, wijk

Voorbeeld:

The development of new technologies is crucial for economic growth.
De ontwikkeling van nieuwe technologieën is cruciaal voor economische groei.

choice

/tʃɔɪs/

(noun) keuze, beste keuze, topkwaliteit;

(adjective) uitstekend, top

Voorbeeld:

You have a choice between coffee and tea.
Je hebt een keuze tussen koffie en thee.

fight

/faɪt/

(noun) gevecht, ruzie, wedstrijd;

(verb) vechten, strijden

Voorbeeld:

The two boxers were ready for a big fight.
De twee boksers waren klaar voor een groot gevecht.

paper

/ˈpeɪ.pɚ/

(noun) papier, krant, paper;

(verb) behangen

Voorbeeld:

She wrote a letter on a piece of paper.
Ze schreef een brief op een stuk papier.

police

/pəˈliːs/

(noun) politie;

(verb) controleren, bewaken

Voorbeeld:

The police arrived quickly at the scene of the accident.
De politie arriveerde snel op de plaats van het ongeluk.

tool

/tuːl/

(noun) gereedschap, hulpmiddel, instrument;

(verb) uitrusten, voorzien van gereedschap

Voorbeeld:

He used a hammer as a tool to fix the broken chair.
Hij gebruikte een hamer als gereedschap om de kapotte stoel te repareren.

star

/stɑːr/

(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;

(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;

(adjective) uitstekend, uitmuntend

Voorbeeld:

The night sky was filled with twinkling stars.
De nachtelijke hemel was gevuld met fonkelende sterren.

production

/prəˈdʌk.ʃən/

(noun) productie, vervaardiging, voorstelling

Voorbeeld:

The factory increased its production of cars.
De fabriek verhoogde haar productie van auto's.

emotion

/ɪˈmoʊ.ʃən/

(noun) emotie, gevoel

Voorbeeld:

Joy is a powerful emotion.
Vreugde is een krachtige emotie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland