Avatar of Vocabulary Set Top 176 - 200 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 176 - 200 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 176 - 200 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

rule

/ruːl/

(noun) regel, voorschrift, heerschappij;

(verb) regeren, heersen, beheersen

Voorbeeld:

The first rule of the club is to always be on time.
De eerste regel van de club is om altijd op tijd te zijn.

thought

/θɑːt/

(noun) gedachte, idee, mening;

(past tense) dacht, gedacht

Voorbeeld:

She shared her thoughts on the matter.
Ze deelde haar gedachten over de kwestie.

party

/ˈpɑːr.t̬i/

(noun) feest, partij, groep;

(verb) feesten, partij vieren

Voorbeeld:

We're having a birthday party for my sister.
We geven een verjaardagsfeestje voor mijn zus.

size

/saɪz/

(noun) grootte, maat;

(verb) aanpassen, op maat maken

Voorbeeld:

What size shoes do you wear?
Welke schoenmaat heeft u?

ground

/ɡraʊnd/

(noun) grond, aarde, veld;

(verb) aan de grond houden, vliegverbod opleggen, binnen houden;

(adjective) nuchter, realistisch, geaard

Voorbeeld:

He fell to the ground.
Hij viel op de grond.

course

/kɔːrs/

(noun) koers, richting, loop;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The ship altered its course to avoid the storm.
Het schip veranderde zijn koers om de storm te vermijden.

risk

/rɪsk/

(noun) risico, gevaar;

(verb) riskeren, wagen

Voorbeeld:

Smoking increases the risk of heart disease.
Roken verhoogt het risico op hartziekten.

opportunity

/ˌɑː.pɚˈtuː.nə.t̬i/

(noun) kans, gelegenheid

Voorbeeld:

This is a great opportunity to learn new skills.
Dit is een geweldige kans om nieuwe vaardigheden te leren.

hair

/her/

(noun) haar, kapsel

Voorbeeld:

She has long, beautiful hair.
Ze heeft lang, mooi haar.

service

/ˈsɝː.vɪs/

(noun) dienst, service, voorziening;

(verb) dienen, werken voor, serveren

Voorbeeld:

The hotel provides excellent room service.
Het hotel biedt uitstekende roomservice.

parent

/ˈper.ənt/

(noun) ouder, ouderdier, ouderplant;

(verb) opvoeden, ouderschap uitoefenen

Voorbeeld:

Both parents attended the school meeting.
Beide ouders woonden de schoolvergadering bij.

image

/ˈɪm.ɪdʒ/

(noun) afbeelding, beeld, imago;

(verb) voorstellen, verbeelden

Voorbeeld:

The artist captured her likeness in a beautiful image.
De kunstenaar legde haar gelijkenis vast in een prachtige afbeelding.

box

/bɑːks/

(noun) doos, kist, vak;

(verb) inpakken, verpakken, boksen

Voorbeeld:

He put the gift in a small box.
Hij deed het cadeau in een kleine doos.

song

/sɑːŋ/

(noun) lied, nummer, gezang

Voorbeeld:

She sang a beautiful song.
Ze zong een prachtig lied.

egg

/eɡ/

(noun) ei;

(verb) aanzetten, aanmoedigen

Voorbeeld:

The bird laid an egg in the nest.
De vogel legde een ei in het nest.

skin

/skɪn/

(noun) huid, schil;

(verb) villen, schillen

Voorbeeld:

She has very sensitive skin.
Ze heeft een zeer gevoelige huid.

series

/ˈsɪr.iːz/

(noun) serie, reeks

Voorbeeld:

The company launched a new series of products.
Het bedrijf lanceerde een nieuwe serie producten.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

fun

/fʌn/

(noun) plezier, pret, vermaak;

(adjective) leuk, grappig, vermakelijk

Voorbeeld:

We had a lot of fun at the party.
We hadden veel plezier op het feest.

period

/ˈpɪr.i.əd/

(noun) periode, tijdperk, punt;

(exclamation) punt uit, klaar

Voorbeeld:

The Roman Empire lasted for a long period.
Het Romeinse Rijk duurde een lange periode.

mother

/ˈmʌð.ɚ/

(noun) moeder, oorsprong, bron;

(verb) bemoeien, verzorgen

Voorbeeld:

My mother always supported my dreams.
Mijn moeder steunde altijd mijn dromen.

father

/ˈfɑː.ðɚ/

(noun) vader, papa, pater;

(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten

Voorbeeld:

My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.

technology

/tekˈnɑː.lə.dʒi/

(noun) technologie, apparatuur

Voorbeeld:

Advancements in technology have transformed our daily lives.
Vooruitgang in technologie heeft ons dagelijks leven getransformeerd.

attention

/əˈten.ʃən/

(noun) aandacht, concentratie, zorg;

(exclamation) houding, militaire aandacht

Voorbeeld:

Please pay attention to the instructions.
Let alstublieft op de instructies.

age

/eɪdʒ/

(noun) leeftijd, tijdperk, tijd;

(verb) verouderen, rijpen

Voorbeeld:

What is your age?
Wat is jouw leeftijd?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland