Avatar of Vocabulary Set Top 176 - 200 Adjectives

Vocabulaireverzameling Top 176 - 200 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 176 - 200 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

honest

/ˈɑː.nɪst/

(adjective) eerlijk, oprecht, rechtmatig

Voorbeeld:

He gave an honest answer to the question.
Hij gaf een eerlijk antwoord op de vraag.

familiar

/fəˈmɪl.i.jɚ/

(adjective) bekend, vertrouwd, bekend met

Voorbeeld:

His face looked familiar, but I couldn't place him.
Zijn gezicht zag er bekend uit, maar ik kon hem niet plaatsen.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

significant

/sɪɡˈnɪf.ə.kənt/

(adjective) significant, belangrijk, aanzienlijk

Voorbeeld:

There was a significant increase in sales this quarter.
Er was een aanzienlijke stijging van de verkoop dit kwartaal.

previous

/ˈpriː.vi.əs/

(adjective) vorig, voorgaand

Voorbeeld:

The previous owner of the house was a musician.
De vorige eigenaar van het huis was een muzikant.

economic

/ˌiː.kəˈnɑː.mɪk/

(adjective) economisch, zuinig, voordelig

Voorbeeld:

The country is facing a severe economic crisis.
Het land staat voor een ernstige economische crisis.

complicated

/ˈkɑːm.plə.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) ingewikkeld, complex, moeilijk te begrijpen

Voorbeeld:

The instructions were too complicated for me to follow.
De instructies waren te ingewikkeld voor mij om te volgen.

exact

/ɪɡˈzækt/

(adjective) exact, precies, nauwkeurig;

(verb) eisen, afdwingen, heffen

Voorbeeld:

The exact time of the meeting is 3:00 PM.
De exacte tijd van de vergadering is 15:00 uur.

sick

/sɪk/

(adjective) ziek, misselijk, geweldig;

(verb) overgeven, braken

Voorbeeld:

I feel sick, I think I ate something bad.
Ik voel me misselijk, ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.

daily

/ˈdeɪ.li/

(adjective) dagelijks;

(adverb) dagelijks, elke dag;

(noun) dagblad, dagelijkse krant

Voorbeeld:

She reads the daily newspaper.
Ze leest de dagelijkse krant.

dry

/draɪ/

(adjective) droog, dor, dorstig;

(verb) drogen

Voorbeeld:

The clothes are still dry.
De kleren zijn nog steeds droog.

future

/ˈfjuː.tʃɚ/

(noun) toekomst, vooruitzichten;

(adjective) toekomstig

Voorbeeld:

We need to plan for the future.
We moeten plannen voor de toekomst.

exciting

/ɪkˈsaɪ.t̬ɪŋ/

(adjective) spannend, opwindend

Voorbeeld:

It was an exciting game that kept everyone on the edge of their seats.
Het was een spannende wedstrijd die iedereen op het puntje van zijn stoel hield.

individual

/ˌɪn.dəˈvɪdʒ.u.əl/

(noun) individu, persoon;

(adjective) individueel, afzonderlijk, uniek

Voorbeeld:

Every individual has the right to express their opinion.
Elk individu heeft het recht om zijn mening te uiten.

French

/frentʃ/

(noun) Frans, Fransen;

(adjective) Frans

Voorbeeld:

She is learning to speak French.
Ze leert Frans spreken.

total

/ˈtoʊ.t̬əl/

(noun) totaal, som;

(adjective) totaal, geheel, volledig;

(verb) bedragen, optellen tot

Voorbeeld:

The total cost of the trip was $500.
De totale kosten van de reis waren $500.

complex

/kɑːmˈpleks/

(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;

(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex

Voorbeeld:

The human brain is a highly complex organ.
Het menselijk brein is een zeer complex orgaan.

thin

/θɪn/

(adjective) dun, mager, slank;

(verb) verdunnen, uitdunnen;

(adverb) dun

Voorbeeld:

The book has a thin cover.
Het boek heeft een dunne kaft.

military

/ˈmɪl.ə.ter.i/

(noun) leger, krijgsmacht;

(adjective) militair, krijgs-

Voorbeeld:

He joined the military after high school.
Hij ging na de middelbare school bij het leger.

complete

/kəmˈpliːt/

(adjective) compleet, volledig, totaal;

(verb) voltooien, afmaken

Voorbeeld:

The puzzle is now complete.
De puzzel is nu compleet.

global

/ˈɡloʊ.bəl/

(adjective) wereldwijd, globaal, universeel

Voorbeeld:

Climate change is a global issue that affects everyone.
Klimaatverandering is een wereldwijd probleem dat iedereen treft.

helpful

/ˈhelp.fəl/

(adjective) behulpzaam, nuttig

Voorbeeld:

The librarian was very helpful in finding the books I needed.
De bibliothecaris was erg behulpzaam bij het vinden van de boeken die ik nodig had.

fantastic

/fænˈtæs.tɪk/

(adjective) fantastisch, geweldig, verbeeldingsvol

Voorbeeld:

The view from the mountain was fantastic.
Het uitzicht vanaf de berg was fantastisch.

impossible

/ɪmˈpɑː.sə.bəl/

(adjective) onmogelijk, onhandelbaar

Voorbeeld:

It's impossible to finish this work in one day.
Het is onmogelijk om dit werk in één dag af te maken.

active

/ˈæk.tɪv/

(adjective) actief, energiek, van kracht

Voorbeeld:

He leads a very active lifestyle, always hiking and cycling.
Hij leidt een zeer actieve levensstijl, altijd wandelend en fietsend.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland