Avatar of Vocabulary Set Gezondheidstoestand

Vocabulaireverzameling Gezondheidstoestand in Niveau C2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Gezondheidstoestand' in 'Niveau C2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

palpitation

/ˌpæl.pəˈteɪ.ʃən/

(noun) hartklopping, palpitaties

Voorbeeld:

She felt a sudden palpitation in her chest after running up the stairs.
Ze voelde een plotselinge hartklopping in haar borst na het traplopen.

pneumonia

/nuːˈmoʊ.njə/

(noun) longontsteking

Voorbeeld:

He was hospitalized with severe pneumonia.
Hij werd opgenomen in het ziekenhuis met ernstige longontsteking.

catarrh

/kəˈtɑːr/

(noun) catarre, slijmvliesontsteking

Voorbeeld:

He suffered from chronic catarrh, which made breathing difficult.
Hij leed aan chronische catarre, wat ademhalen moeilijk maakte.

malaise

/məlˈeɪz/

(noun) malaise, onbehagen, ziekelijkheid

Voorbeeld:

The country was suffering from a general economic malaise.
Het land leed aan een algemeen economisch malaise.

contagion

/kənˈteɪ.dʒən/

(noun) besmetting, overdracht, verspreiding

Voorbeeld:

The rapid spread of the virus highlighted the dangers of contagion.
De snelle verspreiding van het virus benadrukte de gevaren van besmetting.

congestion

/kənˈdʒes.tʃən/

(noun) opstopping, congestie, verstopping

Voorbeeld:

Traffic congestion is a major problem in big cities.
Verkeersopstoppingen zijn een groot probleem in grote steden.

lesion

/ˈliː.ʒən/

(noun) laesie, beschadiging, letsel

Voorbeeld:

The doctor identified a small lesion on the patient's skin.
De arts identificeerde een kleine laesie op de huid van de patiënt.

ulcer

/ˈʌl.sɚ/

(noun) zweer, ulcus

Voorbeeld:

The doctor diagnosed him with a stomach ulcer.
De dokter diagnosticeerde hem met een maagzweer.

pathogen

/ˈpæθ.ə.dʒən/

(noun) ziekteverwekker

Voorbeeld:

The scientists identified a new pathogen responsible for the outbreak.
De wetenschappers identificeerden een nieuwe ziekteverwekker die verantwoordelijk was voor de uitbraak.

indisposition

/ˌɪn.dɪs.pəˈzɪʃ.ən/

(noun) onwelheid, lichte ziekte, onwil

Voorbeeld:

Due to a slight indisposition, she was unable to attend the meeting.
Vanwege een lichte onwelheid kon ze de vergadering niet bijwonen.

bout

/baʊt/

(noun) aanval, periode, wedstrijd

Voorbeeld:

He suffered a severe bout of flu.
Hij leed aan een zware aanval van griep.

patient zero

/ˌpeɪ.ʃənt ˈzɪr.oʊ/

(noun) patiënt nul, indexpatiënt

Voorbeeld:

Scientists are still trying to identify patient zero in the recent epidemic.
Wetenschappers proberen nog steeds patiënt nul te identificeren in de recente epidemie.

anorexic

/ˌæn.əˈrek.sɪk/

(adjective) anorectisch;

(noun) anorectisch persoon

Voorbeeld:

She was diagnosed with an anorexic condition.
Ze werd gediagnosticeerd met een anorectische aandoening.

morbidity

/mɔːrˈbɪd.ə.t̬i/

(noun) morbiditeit, ziektecijfer, ziekelijke belangstelling

Voorbeeld:

The study examined the morbidity and mortality rates of the elderly.
De studie onderzocht de morbiditeit- en sterftecijfers van ouderen.

malady

/ˈmæl.ə.di/

(noun) kwaal, ziekte, probleem

Voorbeeld:

She suffered from a mysterious malady for years.
Ze leed jarenlang aan een mysterieuze kwaal.

affliction

/əˈflɪk.ʃən/

(noun) aandoening, kwelling, ellende

Voorbeeld:

The country was plagued by the affliction of war.
Het land werd geteisterd door de ellende van oorlog.

stricken

/ˈstrɪk.ən/

(adjective) getroffen, aangedaan;

(past participle) geslagen, getroffen

Voorbeeld:

He was stricken with grief after the loss of his pet.
Hij was getroffen door verdriet na het verlies van zijn huisdier.

spry

/spraɪ/

(adjective) kwiek, levendig, vlug

Voorbeeld:

Despite her age, she was still very spry and enjoyed dancing.
Ondanks haar leeftijd was ze nog steeds erg levendig en genoot ze van dansen.

anemic

/əˈniː.mɪk/

(adjective) anemisch, bloedarmoede hebbend, futloos

Voorbeeld:

The patient was diagnosed as anemic and prescribed iron supplements.
De patiënt werd gediagnosticeerd als anemisch en kreeg ijzersupplementen voorgeschreven.

ailing

/ˈeɪ.lɪŋ/

(adjective) ziek, kwakkelend, problematisch

Voorbeeld:

My ailing grandmother needs constant care.
Mijn zieke grootmoeder heeft constante zorg nodig.

sallow

/ˈsæl.oʊ/

(adjective) vaal, gelig

Voorbeeld:

After weeks of illness, her face was thin and sallow.
Na weken van ziekte was haar gezicht mager en vaal.

spent

/spent/

(past tense) uitgegeven, doorgebracht;

(adjective) uitgeput, leeg

Voorbeeld:

I spent all my money on books.
Ik gaf al mijn geld uit aan boeken.

pallid

/ˈpæl.ɪd/

(adjective) bleek, vaal, flets

Voorbeeld:

Her face was pallid and drawn after the long illness.
Haar gezicht was bleek en vermagerd na de lange ziekte.

ghastly

/ˈɡæst.li/

(adjective) afschuwelijk, vreselijk, lijkbleek;

(adverb) vreselijk, afschuwelijk

Voorbeeld:

The accident was a ghastly sight.
Het ongeluk was een afschuwelijk gezicht.

salubrious

/səˈluː.bri.əs/

(adjective) heilzaam, gezond

Voorbeeld:

The mountain air was wonderfully salubrious.
De berglucht was heerlijk heilzaam.

endemic

/enˈdem.ɪk/

(adjective) endemisch, inheems, wijdverspreid

Voorbeeld:

Malaria is endemic in tropical regions.
Malaria is endemisch in tropische gebieden.

immunocompromised

/ˌɪm.jəˌnoʊˈkɑːm.prə.maɪzd/

(adjective) immuungecompromitteerd, immuunzwak

Voorbeeld:

Patients who are immunocompromised are at higher risk of severe infections.
Patiënten die immuungecompromitteerd zijn, lopen een hoger risico op ernstige infecties.

asymptomatic

/ˌeɪ.sɪmp.təˈmæt̬.ɪk/

(adjective) asymptomatisch, symptoomvrij

Voorbeeld:

Many people infected with the virus remain asymptomatic.
Veel mensen die met het virus besmet zijn, blijven asymptomatisch.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland