Avatar of Vocabulary Set A2 - Meting

Vocabulaireverzameling A2 - Meting in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Meting' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

measurement

/ˈmeʒ.ɚ.mənt/

(noun) meting, maat, afmeting

Voorbeeld:

The accurate measurement of ingredients is crucial for baking.
De nauwkeurige meting van ingrediënten is cruciaal voor het bakken.

measure

/ˈmeʒ.ɚ/

(verb) meten, opmeten, bedragen;

(noun) maatstaf, meetmethode, maatregel

Voorbeeld:

The tailor will measure you for a new suit.
De kleermaker zal je opmeten voor een nieuw pak.

quality

/ˈkwɑː.lə.t̬i/

(noun) kwaliteit, eigenschap, kenmerk;

(adjective) kwaliteits-, uitstekend

Voorbeeld:

The hotel offers high-quality service.
Het hotel biedt service van hoge kwaliteit.

quantity

/ˈkwɑːn.t̬ə.t̬i/

(noun) hoeveelheid, aantal, gespecificeerde hoeveelheid

Voorbeeld:

A large quantity of goods was shipped.
Een grote hoeveelheid goederen werd verzonden.

increase

/ɪnˈkriːs/

(verb) toenemen, vergroten, stijgen;

(noun) toename, stijging, verhoging

Voorbeeld:

The population of the city continues to increase.
De bevolking van de stad blijft toenemen.

decrease

/dɪˈkriːs/

(verb) verminderen, afnemen;

(noun) afname, daling

Voorbeeld:

The number of students attending the workshop has decreased.
Het aantal studenten dat de workshop bijwoont, is afgenomen.

unit

/ˈjuː.nɪt/

(noun) eenheid, individu, maatstaf

Voorbeeld:

Each unit in the apartment complex has its own balcony.
Elke eenheid in het appartementencomplex heeft een eigen balkon.

degree

/dɪˈɡriː/

(noun) mate, graad, diploma

Voorbeeld:

To what degree do you agree with this statement?
In welke mate bent u het eens met deze verklaring?

meter

/ˈmiː.t̬ɚ/

(noun) meter, teller, metrum;

(verb) meten, tellen

Voorbeeld:

The swimming pool is 25 meters long.
Het zwembad is 25 meter lang.

centimeter

/ˈsen.t̬əˌmiː.t̬ɚ/

(noun) centimeter

Voorbeeld:

The ruler measures up to 30 centimeters.
De liniaal meet tot 30 centimeter.

millimeter

/ˈmɪl.əˌmiː.t̬ɚ/

(noun) millimeter

Voorbeeld:

The thickness of the paper is one millimeter.
De dikte van het papier is één millimeter.

kilometer

/kɪˈlɑː.mə.t̬ɚ/

(noun) kilometer

Voorbeeld:

The distance to the next town is ten kilometers.
De afstand tot de volgende stad is tien kilometer.

gram

/ɡræm/

(noun) gram

Voorbeeld:

The recipe calls for 200 grams of flour.
Het recept vraagt om 200 gram bloem.

kilogram

/ˈkɪl.ə.ɡræm/

(noun) kilogram

Voorbeeld:

The package weighs five kilograms.
Het pakket weegt vijf kilogram.

ton

/tʌn/

(noun) ton, metrische ton, veel

Voorbeeld:

The truck can carry up to five tons of cargo.
De vrachtwagen kan tot vijf ton lading vervoeren.

kilo

/ˈkiː.loʊ/

(noun) kilo, kilogram, kilometer

Voorbeeld:

I need to buy a kilo of apples.
Ik moet een kilo appels kopen.

milligram

/ˈmɪl.ɪ.ɡræm/

(noun) milligram

Voorbeeld:

The tablet contains 500 milligrams of active ingredient.
De tablet bevat 500 milligram werkzame stof.

liter

/ˈliː.t̬ɚ/

(noun) liter

Voorbeeld:

The bottle contains two liters of water.
De fles bevat twee liter water.

milliliter

/ˈmɪl.əˌliː.t̬ɚ/

(noun) milliliter

Voorbeeld:

Add 50 milliliters of water to the mixture.
Voeg 50 milliliter water toe aan het mengsel.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

mile

/maɪl/

(noun) mijl, lange weg, extra inspanning

Voorbeeld:

The nearest town is ten miles away.
De dichtstbijzijnde stad is tien mijlen verderop.

pound

/paʊnd/

(noun) pond, pond sterling, dierenasiel;

(verb) bonken, slaan, bonzen

Voorbeeld:

The baby weighed eight pounds at birth.
De baby woog acht pond bij de geboorte.

width

/wɪtθ/

(noun) breedte

Voorbeeld:

The table has a width of 90 centimeters.
De tafel heeft een breedte van 90 centimeter.

depth

/depθ/

(noun) diepte, intensiteit, complexiteit

Voorbeeld:

The swimming pool has a depth of 3 meters.
Het zwembad heeft een diepte van 3 meter.

length

/leŋθ/

(noun) lengte, duur, tijdsduur

Voorbeeld:

The table has a length of two meters.
De tafel heeft een lengte van twee meter.

height

/haɪt/

(noun) hoogte, lengte, hoogtepunt

Voorbeeld:

What is your height?
Wat is jouw lengte?

weight

/weɪt/

(noun) gewicht, last, belang;

(verb) verzwaren, belasten

Voorbeeld:

What is the weight of this package?
Wat is het gewicht van dit pakket?

size

/saɪz/

(noun) grootte, maat;

(verb) aanpassen, op maat maken

Voorbeeld:

What size shoes do you wear?
Welke schoenmaat heeft u?

large

/lɑːrdʒ/

(adjective) groot, omvangrijk, breed;

(adverb) grootschalig, op grote schaal

Voorbeeld:

They live in a large house.
Ze wonen in een groot huis.

medium

/ˈmiː.di.əm/

(noun) medium, middel, helderziende;

(adjective) medium, gemiddeld

Voorbeeld:

Television is a powerful medium for advertising.
Televisie is een krachtig medium voor reclame.

long

/lɑːŋ/

(adjective) lang, langdurig;

(adverb) lang;

(verb) verlangen, smachten

Voorbeeld:

The river is very long.
De rivier is erg lang.

thin

/θɪn/

(adjective) dun, mager, slank;

(verb) verdunnen, uitdunnen;

(adverb) dun

Voorbeeld:

The book has a thin cover.
Het boek heeft een dunne kaft.

wide

/waɪd/

(adjective) breed, wijd, uitgebreid;

(adverb) wijd, helemaal

Voorbeeld:

The river is very wide at this point.
De rivier is op dit punt erg breed.

narrow

/ˈner.oʊ/

(adjective) smal, beperkt, eng;

(verb) versmallen, beperken

Voorbeeld:

The road became very narrow as we approached the village.
De weg werd erg smal toen we het dorp naderden.

thick

/θɪk/

(adjective) dik, dicht, compact;

(adverb) dicht, dik

Voorbeeld:

The book has a thick cover.
Het boek heeft een dikke kaft.

yard

/jɑːrd/

(noun) yard, tuin, erf

Voorbeeld:

The fabric is three yards long.
De stof is drie yard lang.

amount

/əˈmaʊnt/

(noun) hoeveelheid, bedrag;

(verb) bedragen, neerkomen op

Voorbeeld:

A large amount of money was stolen.
Een grote hoeveelheid geld werd gestolen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland