Avatar of Vocabulary Set A2 - Werkgelegenheid en Banen 1

Vocabulaireverzameling A2 - Werkgelegenheid en Banen 1 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Werkgelegenheid en Banen 1' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

pilot

/ˈpaɪ.lət/

(noun) piloot, loods, pilotaflevering;

(verb) besturen, loodsen;

(adjective) pilot, proef

Voorbeeld:

The pilot announced that we were beginning our descent.
De piloot kondigde aan dat we begonnen met onze daling.

boss

/bɑːs/

(noun) baas, chef, leider;

(verb) commanderen, de baas spelen

Voorbeeld:

My boss gave me a raise.
Mijn baas gaf me een loonsverhoging.

business

/ˈbɪz.nɪs/

(noun) bedrijf, zaak, onderneming

Voorbeeld:

He started his own business last year.
Hij is vorig jaar zijn eigen bedrijf begonnen.

businessman

/ˈbɪz.nɪs.mən/

(noun) zakenman

Voorbeeld:

He is a successful businessman who owns several companies.
Hij is een succesvolle zakenman die verschillende bedrijven bezit.

businesswoman

/ˈbɪz.nɪsˌwʊm.ən/

(noun) zakenvrouw

Voorbeeld:

She is a successful businesswoman who runs her own company.
Zij is een succesvolle zakenvrouw die haar eigen bedrijf runt.

expert

/ˈek.spɝːt/

(noun) expert, deskundige;

(adjective) deskundig, bekwaam

Voorbeeld:

She is an expert in ancient history.
Zij is een expert in oude geschiedenis.

manager

/ˈmæn.ə.dʒɚ/

(noun) manager, leidinggevende, zaakwaarnemer

Voorbeeld:

The project manager approved the new budget.
De projectmanager keurde het nieuwe budget goed.

assistant

/əˈsɪs.tənt/

(noun) assistent, hulp;

(adjective) assisterend, helpende

Voorbeeld:

She works as a personal assistant to the CEO.
Ze werkt als persoonlijke assistent van de CEO.

receptionist

/rɪˈsep.ʃən.ɪst/

(noun) receptionist, receptioniste

Voorbeeld:

The receptionist greeted me with a warm smile.
De receptioniste begroette me met een warme glimlach.

detective

/dɪˈtek.tɪv/

(noun) detective, rechercheur;

(adjective) detecterend, opsporend

Voorbeeld:

The detective gathered clues at the crime scene.
De detective verzamelde aanwijzingen op de plaats delict.

model

/ˈmɑː.dəl/

(noun) model, maquette, mannequin;

(verb) modelleren, poseren, vormen

Voorbeeld:

He built a model airplane.
Hij bouwde een modelvliegtuig.

cook

/kʊk/

(verb) koken, bereiden;

(noun) kok, chef-kok

Voorbeeld:

She loves to cook Italian food.
Ze houdt ervan om Italiaans eten te koken.

pharmacist

/ˈfɑːr.mə.sɪst/

(noun) apotheker

Voorbeeld:

The pharmacist advised me on the correct dosage for my medication.
De apotheker adviseerde me over de juiste dosering voor mijn medicatie.

journalist

/ˈdʒɝː.nə.lɪst/

(noun) journalist

Voorbeeld:

The journalist interviewed the politician about the new policy.
De journalist interviewde de politicus over het nieuwe beleid.

writer

/ˈraɪ.t̬ɚ/

(noun) schrijver, auteur

Voorbeeld:

She is a famous writer of children's books.
Zij is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

singer

/ˈsɪŋ.ɚ/

(noun) zanger, zangeres

Voorbeeld:

She is a talented singer with a powerful voice.
Zij is een getalenteerde zangeres met een krachtige stem.

professor

/prəˈfes.ɚ/

(noun) professor, hoogleraar

Voorbeeld:

Professor Smith teaches history at the university.
Professor Smith doceert geschiedenis aan de universiteit.

researcher

/ˈriː.sɝː.tʃɚ/

(noun) onderzoeker

Voorbeeld:

The researcher published a groundbreaking study on climate change.
De onderzoeker publiceerde een baanbrekende studie over klimaatverandering.

hairdresser

/ˈherˌdres.ɚ/

(noun) kapper, kapster

Voorbeeld:

I need to make an appointment with my hairdresser.
Ik moet een afspraak maken met mijn kapper.

designer

/dɪˈzaɪ.nɚ/

(noun) ontwerper;

(adjective) designer, merk

Voorbeeld:

She works as a fashion designer for a major clothing brand.
Ze werkt als modeontwerper voor een groot kledingmerk.

cleaner

/ˈkliː.nɚ/

(noun) schoonmaker, poetser, reiniger;

(adjective) schoner

Voorbeeld:

The office cleaner comes every evening.
De kantoorschoonmaker komt elke avond.

painter

/ˈpeɪn.t̬ɚ/

(noun) schilder, kunstschilder, verver

Voorbeeld:

Vincent van Gogh was a famous Dutch painter.
Vincent van Gogh was een beroemde Nederlandse schilder.

instructor

/ɪnˈstrʌk.tɚ/

(noun) instructeur, docent

Voorbeeld:

The yoga instructor demonstrated the pose.
De yoga-instructeur demonstreerde de houding.

employment

/ɪmˈplɔɪ.mənt/

(noun) werk, werkgelegenheid, tewerkstelling

Voorbeeld:

She is seeking full-time employment.
Ze zoekt voltijds werk.

department

/dɪˈpɑːrt.mənt/

(noun) afdeling, departement, warenhuis

Voorbeeld:

She works in the marketing department.
Zij werkt op de marketingafdeling.

payment

/ˈpeɪ.mənt/

(noun) betaling, afrekening, bedrag

Voorbeeld:

The payment is due by the end of the month.
De betaling is verschuldigd tegen het einde van de maand.

shift

/ʃɪft/

(noun) verschuiving, verandering, dienst;

(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen

Voorbeeld:

There has been a significant shift in public opinion.
Er is een aanzienlijke verschuiving in de publieke opinie geweest.

bonus

/ˈboʊ.nəs/

(noun) bonus, premie, extraatje

Voorbeeld:

The employees received a generous bonus at the end of the year.
De werknemers ontvingen een royale bonus aan het einde van het jaar.

employ

/ɪmˈplɔɪ/

(verb) employeren, in dienst nemen, gebruiken

Voorbeeld:

The company decided to employ more staff to handle the increased workload.
Het bedrijf besloot meer personeel te employeren om de toegenomen werkdruk aan te kunnen.

retire

/rɪˈtaɪr/

(verb) met pensioen gaan, aftreden, zich terugtrekken

Voorbeeld:

My father plans to retire next year.
Mijn vader is van plan volgend jaar met pensioen te gaan.

successful

/səkˈses.fəl/

(adjective) succesvol, geslaagd

Voorbeeld:

She became a successful entrepreneur.
Ze werd een succesvolle ondernemer.

company

/ˈkʌm.pə.ni/

(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap

Voorbeeld:

She works for a large software company.
Ze werkt voor een groot softwarebedrijf.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland