Avatar of Vocabulary Set Algemene werkwoorden gerelateerd aan gezondheid en ziekte

Vocabulaireverzameling Algemene werkwoorden gerelateerd aan gezondheid en ziekte in Gezondheid: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Algemene werkwoorden gerelateerd aan gezondheid en ziekte' in 'Gezondheid' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

injure

/ˈɪn.dʒɚ/

(verb) verwonden, blesseren, kwetsen

Voorbeeld:

He injured his knee playing football.
Hij blessureerde zijn knie tijdens het voetballen.

metastasize

/metˈæs.tə.saɪz/

(verb) uitzaaien, verspreiden, uitbreiden

Voorbeeld:

The cancer cells began to metastasize to the lungs.
De kankercellen begonnen te uitzaaien naar de longen.

succumb

/səˈkʌm/

(verb) bezweken, toegaven, overleden

Voorbeeld:

He finally succumbed to the temptation of a second slice of cake.
Hij bezweek uiteindelijk voor de verleiding van een tweede stuk taart.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

transfer

/ˈtræns.fɝː/

(verb) overdragen, overbrengen, verplaatsen;

(noun) overdracht, overplaatsing, verplaatsing

Voorbeeld:

Please transfer the files to the new folder.
Gelieve de bestanden naar de nieuwe map te verplaatsen.

vomit

/ˈvɑː.mɪt/

(verb) overgeven, braken;

(noun) braaksel, overgeefsel

Voorbeeld:

He felt so sick that he thought he was going to vomit.
Hij voelde zich zo ziek dat hij dacht dat hij zou overgeven.

aggravate

/ˈæɡ.rə.veɪt/

(verb) verergeren, verslechteren, irriteren

Voorbeeld:

The loud music began to aggravate his headache.
De luide muziek begon zijn hoofdpijn te verergeren.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

contract

/ˈkɑːn.trækt/

(noun) contract, overeenkomst;

(verb) samentrekken, krimpen, oplopen

Voorbeeld:

They signed a contract for the new house.
Ze tekenden een contract voor het nieuwe huis.

cough

/kɑːf/

(verb) hoesten;

(noun) hoest

Voorbeeld:

He started to cough uncontrollably during the meeting.
Hij begon oncontroleerbaar te hoesten tijdens de vergadering.

develop

/dɪˈvel.əp/

(verb) ontwikkelen, groeien, krijgen

Voorbeeld:

The company plans to develop new software.
Het bedrijf is van plan nieuwe software te ontwikkelen.

ail

/eɪl/

(verb) schelen, mankeren, kwakkelen

Voorbeeld:

What ails you, my friend?
Wat scheelt je, mijn vriend?

complain of

/kəmˈpleɪn ʌv/

(phrasal verb) klagen over, lijden aan

Voorbeeld:

She began to complain of a headache.
Ze begon te klagen over hoofdpijn.

dehydrate

/ˌdiː.haɪˈdreɪt/

(verb) uitdrogen, drogen, ontwateren

Voorbeeld:

The hot weather can quickly dehydrate you.
Het warme weer kan je snel uitdrogen.

lay up

/leɪ ˈʌp/

(phrasal verb) opslaan, opbergen, opleggen

Voorbeeld:

They decided to lay up provisions for the winter.
Ze besloten om proviand op te slaan voor de winter.

pass out

/pæs aʊt/

(phrasal verb) flauwvallen, bewustzijn verliezen, uitdelen

Voorbeeld:

She felt dizzy and thought she was going to pass out.
Ze voelde zich duizelig en dacht dat ze zou flauwvallen.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

relapse

/rɪˈlæps/

(noun) terugval, recidive;

(verb) terugvallen, recidiveren

Voorbeeld:

After a period of recovery, he suffered a relapse and had to be hospitalized again.
Na een periode van herstel kreeg hij een terugval en moest hij opnieuw worden opgenomen in het ziekenhuis.

sneeze

/sniːz/

(verb) niezen;

(noun) nies

Voorbeeld:

The dust made her sneeze.
Het stof deed haar niezen.

faint

/feɪnt/

(noun) flauwte, bewusteloosheid;

(verb) flauwvallen, bewusteloos worden;

(adjective) zwak, vaag, onduidelijk

Voorbeeld:

She had a sudden faint and collapsed.
Ze had een plotselinge flauwte en zakte in elkaar.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland