Avatar of Vocabulary Set Accessoires

Vocabulaireverzameling Accessoires in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Accessoires' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

ascot

/ˈæs.kɑːt/

(noun) ascot, plastron

Voorbeeld:

He wore a silk ascot with his morning suit.
Hij droeg een zijden ascot bij zijn jacquet.

badge

/bædʒ/

(noun) badge, insigne;

(verb) voorzien van een badge, markeren met een badge

Voorbeeld:

He proudly displayed his police badge.
Hij toonde trots zijn politiebadge.

bandana

/bænˈdæn.ə/

(noun) bandana, zakdoek

Voorbeeld:

He wore a red bandana around his neck.
Hij droeg een rode bandana om zijn nek.

belt

/belt/

(noun) riem, gordel, band;

(verb) gordelen, vastmaken, luid zingen

Voorbeeld:

He tightened his belt after losing weight.
Hij trok zijn riem strakker aan nadat hij was afgevallen.

bobby pin

/ˈbɑː.bi ˌpɪn/

(noun) schuifspeldje, haarspeld

Voorbeeld:

She used a bobby pin to secure her bun.
Ze gebruikte een schuifspeldje om haar knot vast te zetten.

bow tie

/ˈboʊ taɪ/

(noun) vlinderdas, strikje

Voorbeeld:

He wore a sharp suit with a matching bow tie.
Hij droeg een strak pak met een bijpassende vlinderdas.

cravat

/krəˈvæt/

(noun) cravat, halsdoek

Voorbeeld:

He wore a silk cravat with his casual suit.
Hij droeg een zijden cravat bij zijn casual pak.

feather boa

/ˈfeð.ɚ ˌboʊ.ə/

(noun) veren boa, boa van veren

Voorbeeld:

She wore a glamorous red feather boa with her evening gown.
Ze droeg een glamoureuze rode veren boa bij haar avondjurk.

glasses

/ˈɡlæs·əz/

(noun) bril, glas

Voorbeeld:

She put on her glasses to read the small print.
Ze zette haar bril op om de kleine lettertjes te lezen.

glove

/ɡlʌv/

(noun) handschoen;

(verb) handschoenen aantrekken

Voorbeeld:

She put on her winter gloves before going outside.
Ze trok haar winterhandschoenen aan voordat ze naar buiten ging.

goggles

/ˈɡɑː.ɡəlz/

(noun) bril, veiligheidsbril;

(verb) staren, grote ogen opzetten

Voorbeeld:

He put on his swimming goggles before diving into the pool.
Hij zette zijn zwembril op voordat hij in het zwembad dook.

necktie

/ˈnek.taɪ/

(noun) stropdas, das

Voorbeeld:

He adjusted his silk necktie before the meeting.
Hij schoof zijn zijden stropdas recht voor de vergadering.

hatband

/ˈhæt.bænd/

(noun) hoedband

Voorbeeld:

He adjusted the silk hatband on his fedora.
Hij verstelde de zijden hoedband op zijn fedora.

hatpin

/ˈhæt.pɪn/

(noun) hoedenspeld

Voorbeeld:

She used a decorative hatpin to keep her wide-brimmed hat in place.
Ze gebruikte een decoratieve hoedenspeld om haar breedgerande hoed op zijn plaats te houden.

ribbon

/ˈrɪb.ən/

(noun) lint, band, strook

Voorbeeld:

She tied her hair with a pink ribbon.
Ze bond haar haar vast met een roze lint.

mitten

/ˈmɪt̬.ən/

(noun) want, wanten

Voorbeeld:

She wore warm mittens to protect her hands from the cold.
Ze droeg warme wanten om haar handen tegen de kou te beschermen.

scarf

/skɑːrf/

(noun) sjaal;

(verb) schrokken, opschrokken

Voorbeeld:

She wrapped a warm scarf around her neck.
Ze wikkelde een warme sjaal om haar nek.

shawl

/ʃɑːl/

(noun) sjaal, omslagdoek

Voorbeeld:

She wrapped a warm shawl around her shoulders.
Ze sloeg een warme sjaal om haar schouders.

veil

/veɪl/

(noun) sluier, dekmantel;

(verb) sluieren, verhullen

Voorbeeld:

The bride wore a long white veil.
De bruid droeg een lange witte sluier.

snood

/snuːd/

(noun) haarnetje, snood, coltrui

Voorbeeld:

She wore a delicate lace snood to hold her long hair.
Ze droeg een delicate kanten haarnetje om haar lange haar vast te houden.

spectacles

/ˈspek·tə·kəlz/

(noun) bril, schouwspel, vertoning

Voorbeeld:

She put on her spectacles to read the fine print.
Ze zette haar bril op om de kleine lettertjes te lezen.

sunglasses

/ˈsʌnˌɡlæs.ɪz/

(plural noun) zonnebril

Voorbeeld:

She put on her sunglasses before stepping out into the bright sun.
Ze zette haar zonnebril op voordat ze de felle zon in stapte.

garter belt

/ˈɡɑːr.t̬ɚ ˌbelt/

(noun) jarretelgordel, jarretellegordel

Voorbeeld:

She wore a delicate lace garter belt under her evening gown.
Ze droeg een delicate kanten jarretelgordel onder haar avondjurk.

garter

/ˈɡɑːr.t̬ɚ/

(noun) jarretel, kousenband

Voorbeeld:

She adjusted the lace garter on her thigh.
Ze verstelde de kanten jarretel op haar dij.

perfume

/ˈpɝː.fjuːm/

(noun) parfum, reukwater;

(verb) parfumeren, geuren

Voorbeeld:

She sprayed a little perfume on her wrist.
Ze spoot een beetje parfum op haar pols.

umbrella

/ʌmˈbrel.ə/

(noun) paraplu, zonnescherm, overkoepelende organisatie

Voorbeeld:

Don't forget your umbrella, it's raining outside.
Vergeet je paraplu niet, het regent buiten.

earmuffs

/ˈɪr.mʌfs/

(plural noun) oorwarmers, gehoorbeschermers

Voorbeeld:

She wore warm earmuffs to protect her ears from the biting wind.
Ze droeg warme oorwarmers om haar oren te beschermen tegen de snijdende wind.

tattoo

/tætˈuː/

(noun) tatoeage;

(verb) tatoeëren

Voorbeeld:

She got a beautiful floral tattoo on her arm.
Ze kreeg een prachtige bloementatoeage op haar arm.

suspender

/səˈspen.dɚ/

(noun) bretels, jarretel

Voorbeeld:

He wore a suit with classic suspenders.
Hij droeg een pak met klassieke bretels.

suspender belt

/səˈspen.dər ˌbelt/

(noun) jarretelgordel

Voorbeeld:

She wore a delicate lace suspender belt under her dress.
Ze droeg een delicate kanten jarretelgordel onder haar jurk.

sweatband

/ˈswet.bænd/

(noun) zweetband

Voorbeeld:

He wore a sweatband around his wrist during the tennis match.
Hij droeg een zweetband om zijn pols tijdens de tenniswedstrijd.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

watch

/wɑːtʃ/

(verb) kijken, observeren, opletten;

(noun) horloge, wacht, bewaking

Voorbeeld:

I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.

wristband

/ˈrɪst.bænd/

(noun) polsband, polsbandje

Voorbeeld:

He wore a silicone wristband to support the charity.
Hij droeg een siliconen polsbandje om het goede doel te steunen.

bag

/bæɡ/

(noun) tas, zak, ding;

(verb) inpakken, verpakken, bemachtigen

Voorbeeld:

She packed her clothes in a large travel bag.
Ze pakte haar kleren in een grote reistas.

sash

/sæʃ/

(noun) sjerp, band, raamkozijn;

(verb) voorzien van kozijn, inlijsten

Voorbeeld:

The beauty queen wore a sparkling sash across her gown.
De schoonheidskoningin droeg een glimmende sjerp over haar jurk.

armband

/ˈɑːrm.bænd/

(noun) armband, band

Voorbeeld:

She wore a silver armband to match her dress.
Ze droeg een zilveren armband die bij haar jurk paste.

cummerbund

/ˈkʌm.ɚ.bʌnd/

(noun) cummerbund, buikband

Voorbeeld:

He completed his formal attire with a black silk cummerbund.
Hij maakte zijn formele kleding compleet met een zwarte zijden cummerbund.

muff

/mʌf/

(noun) mof, blunder, fout;

(verb) verknoeien, verprutsen

Voorbeeld:

She wore a fur muff to keep her hands warm in the winter.
Ze droeg een bonten mof om haar handen warm te houden in de winter.

pashmina

/pæʃˈmiː.nə/

(noun) pashmina, kasjmierwol

Voorbeeld:

She wrapped a soft pashmina around her shoulders to keep warm.
Ze sloeg een zachte pashmina om haar schouders om warm te blijven.

vest

/vest/

(noun) vest, gilet, onderhemd;

(verb) toekennen, overgaan op

Voorbeeld:

He wore a suit with a matching vest.
Hij droeg een pak met een bijpassend vest.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland