Avatar of Vocabulary Set Muren

Vocabulaireverzameling Muren in Architectuur en Constructie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Muren' in 'Architectuur en Constructie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

attic

/ˈæt̬.ɪk/

(noun) zolder

Voorbeeld:

We store old furniture in the attic.
We bewaren oude meubels op de zolder.

bracket

/ˈbræk.ɪt/

(noun) haakje, haakjes, beugel;

(verb) tussen haakjes plaatsen, eensluiten, groeperen

Voorbeeld:

Please put the additional information in brackets.
Plaats de aanvullende informatie tussen haakjes.

parapet

/ˈper.ə.pet/

(noun) borstwering, parapet

Voorbeeld:

The castle had a stone parapet where archers could stand.
Het kasteel had een stenen borstwering waar boogschutters konden staan.

rampart

/ˈræm.pɑːrt/

(noun) wal, vestingmuur, bolwerk

Voorbeeld:

The ancient city was protected by high ramparts.
De oude stad werd beschermd door hoge wallen.

breast

/brest/

(noun) borst, boezem;

(verb) trotseren, doorbreken

Voorbeeld:

The baby nursed from its mother's breast.
De baby zoog aan de borst van zijn moeder.

corbel

/ˈkɔːr.bəl/

(noun) kraagsteen, console;

(verb) kraagstenen, ondersteunen met kraagstenen

Voorbeeld:

The ancient castle walls were adorned with decorative corbels.
De oude kasteelmuren waren versierd met decoratieve kraagstenen.

niche

/nɪtʃ/

(noun) niche, geschikte plaats, nis;

(adjective) niche, gespecialiseerd

Voorbeeld:

He eventually found his niche in web design.
Hij vond uiteindelijk zijn niche in webdesign.

reveal

/rɪˈviːl/

(verb) onthullen, bekendmaken, tonen

Voorbeeld:

The investigation revealed the truth.
Het onderzoek onthulde de waarheid.

splay

/spleɪ/

(verb) spreiden, uitspreiden, verbreden;

(noun) uitloop, spreiding;

(adjective) uitgespreid, wijd

Voorbeeld:

The cat's paws splayed out as it landed.
De poten van de kat spreidden zich wijd uit toen hij landde.

squint

/skwɪnt/

(verb) knijpen, scheel kijken;

(noun) oogopslag, scheelzien, scheelstand

Voorbeeld:

She had to squint to read the small print.
Ze moest knijpen om de kleine lettertjes te lezen.

water table

/ˈwɑː.t̬ɚ ˌteɪ.bəl/

(noun) grondwaterstand

Voorbeeld:

The well dried up because the water table dropped significantly.
De put droogde op omdat de grondwaterstand aanzienlijk daalde.

band

/bænd/

(noun) band, strook, bereik;

(verb) banden, vastbinden, verenigen

Voorbeeld:

The band played all their greatest hits.
De band speelde al hun grootste hits.

brick wall

/ˈbrɪk wɔl/

(noun) bakstenen muur, metselwerk, onoverkomelijk obstakel

Voorbeeld:

The old house had a sturdy brick wall.
Het oude huis had een stevige bakstenen muur.

glass wall

/ˈɡlæs wɑːl/

(noun) glazen wand, glazen muur

Voorbeeld:

The office has a beautiful glass wall overlooking the city.
Het kantoor heeft een prachtige glazen wand met uitzicht op de stad.

green wall

/ˌɡriːn ˈwɔːl/

(noun) groene wand, verticale tuin

Voorbeeld:

The office building features a stunning green wall in its lobby.
Het kantoorgebouw heeft een prachtige groene wand in de lobby.

coping

/ˈkoʊ.pɪŋ/

(verb) omgaan met, aankunnen;

(noun) coping, omgaan

Voorbeeld:

She is still coping with the loss of her mother.
Ze is nog steeds aan het omgaan met het verlies van haar moeder.

cap

/kæp/

(noun) pet, muts, dop;

(verb) dichten, afsluiten, maximeren

Voorbeeld:

He wore a baseball cap to the game.
Hij droeg een baseballpet naar de wedstrijd.

wainscot

/ˈweɪn.skɑːt/

(noun) lambrisering;

(verb) lambriseren, betimmeren

Voorbeeld:

The dining room had elegant oak wainscoting.
De eetkamer had elegant eikenhouten lambrisering.

panelling

/ˈpæn.əl.ɪŋ/

(noun) lambrisering, betimmering

Voorbeeld:

The room was decorated with elegant wooden panelling.
De kamer was versierd met elegant houten lambrisering.

partition

/pɑːrˈtɪʃ.ən/

(noun) verdeling, scheiding, scheidingswand;

(verb) verdelen, scheiden

Voorbeeld:

The partition of the country led to widespread conflict.
De verdeling van het land leidde tot wijdverspreid conflict.

party wall

/ˈpɑːr.t̬i ˌwɑːl/

(noun) scheidsmuur, gemene muur

Voorbeeld:

The dispute arose over repairs to the party wall between their houses.
Het geschil ontstond over reparaties aan de scheidsmuur tussen hun huizen.

recess

/ˈrɪː.ses/

(noun) reces, pauze, schorsing;

(verb) verdiepen, terugtrekken, inbouwen

Voorbeeld:

The court is currently in recess until next Monday.
De rechtbank is momenteel in reces tot volgende week maandag.

divider

/dɪˈvaɪ.dər/

(noun) scheidingswand, verdeler, scheider

Voorbeeld:

The wall acts as a divider between the two rooms.
De muur fungeert als een scheidingswand tussen de twee kamers.

drip

/drɪp/

(noun) druppel, lek;

(verb) druppelen, lekken

Voorbeeld:

I felt a cold drip on my hand.
Ik voelde een koude druppel op mijn hand.

grille

/ɡrɪl/

(noun) grille, rooster

Voorbeeld:

The car's front grille was damaged in the accident.
De voorste grille van de auto raakte beschadigd bij het ongeluk.

gable

/ˈɡeɪ.bəl/

(noun) geveltop, puntgevel

Voorbeeld:

The house had a distinctive triangular gable.
Het huis had een kenmerkende driehoekige geveltop.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland