Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 19 - Hoe hoog is de bonus?: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 19 - Hoe hoog is de bonus?' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrase) beschaduwd zijn, gearcueerd zijn
Voorbeeld:
(phrasal verb) teweegbrengen, veroorzaken, leiden tot
Voorbeeld:
(phrase) kosten besparen, bezuinigen
Voorbeeld:
(noun) cijfers, getallen, figuur;
(verb) berekenen, bedragen, denken
Voorbeeld:
(adjective) ruw, hard, fel
Voorbeeld:
(phrase) de beste tarieven hebben, de scherpste prijzen hebben
Voorbeeld:
(noun) schade, letsel;
(verb) schaden, beschadigen
Voorbeeld:
(phrasal verb) verbinden, koppelen
Voorbeeld:
(phrase) geld verdienen, winst maken
Voorbeeld:
(idiom) een doel bereiken, een doelstelling halen
Voorbeeld:
(verb) verkeerd lezen, verkeerd inschatten, misinterpreteren
Voorbeeld:
(noun) verkooprapport
Voorbeeld:
(adjective) gelegen, gesitueerd
Voorbeeld:
(phrase) kleine kans, geringe kans
Voorbeeld:
(phrase) een cursus volgen
Voorbeeld:
(phrase) om eerlijk met je te zijn, eerlijk gezegd
Voorbeeld:
(verb) toewijzen, verdelen, toekennen
Voorbeeld:
(noun) toewijzing, verdeling, volkstuin
Voorbeeld:
(noun) liefdadigheid, goede doelen, liefdadigheidsinstelling
Voorbeeld:
(adjective) voortdurend, aanhoudend;
(verb) doorging, voortgezet
Voorbeeld:
(adjective) desperaat, hopeloos, wanhopig
Voorbeeld:
(adjective) twijfelachtig, onzeker, onwaarschijnlijk
Voorbeeld:
(noun) ondergang, val, neerslag
Voorbeeld:
(noun) verbetering, versterking, verhoging
Voorbeeld:
(noun) factor, oorzaak, deler;
(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden
Voorbeeld:
(noun) fortuin, rijkdom, geluk
Voorbeeld:
(noun) bruto inkomen
Voorbeeld:
(adjective) onmogelijk, onhandelbaar
Voorbeeld:
(noun) linguïstiek, taalkunde
Voorbeeld:
(adverb) losjes, niet strak, ongeveer
Voorbeeld:
(phrasal verb) goedmaken, compenseren
Voorbeeld:
(adjective) matig, gemiddeld, gematigd;
(verb) matigen, temperen, modereren
Voorbeeld:
(adjective) optimaal, best, gunstigst
Voorbeeld:
(verb) bezitten, hebben, beschikken over
Voorbeeld:
(adjective) winstgevend, rendabel, voordelig
Voorbeeld:
(idiom) in gevaar brengen, op het spel zetten
Voorbeeld:
(adverb) helemaal, volkomen, redelijk
Voorbeeld:
(noun) verkoopcijfer, omzetcijfer
Voorbeeld:
(phrase) proberen te, streven naar
Voorbeeld:
(verb) splitsen, verdelen, splijten;
(noun) splitsing, scheiding, spagaat;
(adjective) gespleten, verdeeld
Voorbeeld:
(noun) inzending, indiening, onderwerping
Voorbeeld:
(adjective) voldoende, genoeg
Voorbeeld:
(adjective) omliggend, omringend;
(noun) omgeving, omstreken
Voorbeeld:
(noun) overgang, transitie;
(verb) overgaan, overstappen
Voorbeeld:
(adverb) ongewoon, buitengewoon
Voorbeeld:
(plural noun) bijkomende voordelen, extra voordelen
Voorbeeld:
(noun) extra toeslag, bijkomende kosten
Voorbeeld:
(phrase) in een hoog tempo, in een sneltreinvaart
Voorbeeld:
(noun) commerciële waarde
Voorbeeld:
(noun) decaan, oudste lid
Voorbeeld:
(adjective) teleurstellend
Voorbeeld:
(phrase) schade toebrengen aan, beschadigen
Voorbeeld:
(noun) techniek, ingenieurswetenschappen, ingenieurswerk
Voorbeeld:
(idiom) faillissement aanvragen, failliet gaan
Voorbeeld:
(noun) groeipotentieel
Voorbeeld:
(verb) benadrukken, markeren, accentueren;
(noun) hoogtepunt, topmoment
Voorbeeld:
(noun) stabiliteit op de lange termijn
Voorbeeld:
(noun) non-profitorganisatie, organisatie zonder winstoogmerk
Voorbeeld:
(idiom) aan het stijgen, in de lift
Voorbeeld:
(idiom) stukje bij beetje, deel voor deel
Voorbeeld:
(noun) verhouding, aandeel, proportie;
(verb) proportioneel maken, afmeten
Voorbeeld:
(adjective) verhoogd, opgetild, opgegroeid
Voorbeeld:
(noun) stijgende kosten
Voorbeeld:
(noun) semester, studieperiode
Voorbeeld:
(noun) tijdlijn, planning
Voorbeeld:
(noun) bachelorstudent, student;
(adjective) bachelor, universitair
Voorbeeld:
(phrase) van plan zijn, uitspoken, aan
Voorbeeld: