Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 10 - Deskundige shoppers: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 10 - Deskundige shoppers' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) bakkerij
Voorbeeld:
(adjective) bestverkocht, bestseller
Voorbeeld:
(noun) kassamedewerker, caissière
Voorbeeld:
(noun) kleding, kledij
Voorbeeld:
(noun) hoek, straathoek, benarde situatie;
(verb) in het nauw drijven, omsingelen, de bocht nemen
Voorbeeld:
(noun) kostuum, vermomming, klederdracht;
(verb) verkleden, kostumeren
Voorbeeld:
(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;
(verb) bevrijden, vrijlaten;
(adverb) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(noun) etiket, label, stempel;
(verb) etiketteren, labelen, bestempelen
Voorbeeld:
(noun) halsketting, ketting
Voorbeeld:
(noun) fotografie-apparatuur, fotografie-uitrusting
Voorbeeld:
(noun) plank, schap, richel
Voorbeeld:
(noun) winkel, zaak, werkplaats;
(verb) winkelen, kopen, verlinken
Voorbeeld:
(noun) shopper, winkelier
Voorbeeld:
(noun) grootte, maat;
(verb) aanpassen, op maat maken
Voorbeeld:
(plural noun) zonnebril
Voorbeeld:
(noun) supermarkt
Voorbeeld:
(verb) dragen, slijten, verslijten;
(noun) slijtage, gebruik, kleding
Voorbeeld:
(noun) basis, grondslag, hoofdbestanddeel
Voorbeeld:
(noun) merk, brandmerk, teken;
(verb) brandmerken, merken
Voorbeeld:
(noun) warenhuis
Voorbeeld:
(noun) discountwinkel, koopjeswinkel
Voorbeeld:
(verb) tonen, tentoonstellen, weergeven;
(noun) tentoonstelling, uitstalling, scherm
Voorbeeld:
(verb) passen, zitten, passen bij;
(noun) pasvorm, passing, aanval;
(adjective) fit, in vorm, geschikt
Voorbeeld:
(adverb) volledig, helemaal, uitgebreid
Voorbeeld:
(noun) supermarkt, kruidenierswinkel, boodschappen
Voorbeeld:
(verb) houden, behouden, blijven;
(noun) donjon, burcht
Voorbeeld:
(noun) winkel, zaak, voorraad;
(verb) opslaan, bewaren
Voorbeeld:
(noun) belasting;
(verb) belasten, belasting heffen op, uitputten
Voorbeeld: