Vocabulaireverzameling Vervoer in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Vervoer' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) verband, connectie, aansluiting
Voorbeeld:
(adjective) terminaal, eind-, dodelijk;
(noun) terminal, station, aansluiting
Voorbeeld:
(noun) luchtverkeersleiding
Voorbeeld:
(noun) luchtvaart
Voorbeeld:
(noun) plank, bord, raad;
(verb) instappen, aan boord gaan, huisvesten
Voorbeeld:
(adverb) aan boord;
(preposition) aan boord
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer, transit, doorvoer;
(verb) doorvoeren, doorkruisen
Voorbeeld:
(noun) landing, touchdown;
(verb) landen
Voorbeeld:
(noun) landingsbaan, startbaan, catwalk
Voorbeeld:
(adverb) aan boord, erbij, meedoen
Voorbeeld:
(adjective) tijdens de vlucht, aan boord
Voorbeeld:
(noun) cabinebemanning, stewardessen
Voorbeeld:
(noun) overbagage, overbodige ballast, overbodige last
Voorbeeld:
(noun) beklimming, stijging, helling
Voorbeeld:
(noun) daling, afdaling, afkomst
Voorbeeld:
(noun) verkeerstoren
Voorbeeld:
(noun) turbulentie, onrust, verwarring
Voorbeeld:
(verb) navigeren, sturen, zich verplaatsen
Voorbeeld:
(noun) jetlag
Voorbeeld:
(noun) landingskaart, aankomstkaart
Voorbeeld:
(noun) verzending, scheepvaart, zeevervoer;
(verb) verzenden, binnenlaten
Voorbeeld:
(noun) lading, vracht, goederen
Voorbeeld:
(noun) instapkaart, boardingpass
Voorbeeld:
(noun) bagageafhandeling, bagageband
Voorbeeld:
(verb) overdragen, overbrengen, verplaatsen;
(noun) overdracht, overplaatsing, verplaatsing
Voorbeeld:
(noun) vracht, lading, vrachtvervoer;
(verb) vervoeren, transporteren
Voorbeeld:
(noun) cruise, zeereis;
(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden
Voorbeeld:
(noun) wegwijzer, richtingaanwijzer, structuurindicator;
(verb) wegwijzen, structureren
Voorbeeld:
(phrasal verb) aankomen, binnenrijden, aantrekken
Voorbeeld:
(phrasal verb) uittrekken, verwijderen, terugtrekken
Voorbeeld:
(verb) naderen, aankomen, benaderen;
(noun) aanpak, benadering, nadering
Voorbeeld:
(noun) automatische piloot;
(phrase) op de automatische piloot
Voorbeeld:
(noun) co-piloot, tweede piloot;
(verb) co-piloten, assisteren als piloot
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgaan, voortzetten, zich aanstellen
Voorbeeld:
(noun) coach, trainer, bus;
(verb) coachen, trainen
Voorbeeld:
(noun) naaf, knooppunt, centrum
Voorbeeld:
(noun) steward, stewardess, rentmeester;
(verb) beheren, besturen
Voorbeeld: