Vocabulaireverzameling Winkelen in Geavanceerde woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Winkelen' in 'Geavanceerde woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) koopje, aanbieding, overeenkomst;
(verb) onderhandelen, afdingen
Voorbeeld:
(verb) ruilen, barteren;
(noun) ruilhandel, barter
Voorbeeld:
(verb) afdingen, onderhandelen;
(noun) onderhandeling, afdingen
Voorbeeld:
(verb) te weinig teruggeven, tekortdoen, benadelen
Voorbeeld:
(adjective) complimenteus, vleiend, gratis
Voorbeeld:
(adjective) buitensporig, overdreven, excessief
Voorbeeld:
(adverb) gratis, kosteloos;
(adjective) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(noun) denominatie, kerkgenootschap, coupure
Voorbeeld:
(noun) marge, opslag, opmaak;
(verb) opmaken, markeren
Voorbeeld:
(noun) tocht, uitbarsting, vlaag
Voorbeeld:
(noun) teken, symbool, muntje;
(adjective) symbolisch, tekenend
Voorbeeld:
(noun) bon, waardebon, bewijs;
(verb) bevestigen, garanderen
Voorbeeld:
(noun) bodega, kleine kruidenierswinkel, wijnhuis
Voorbeeld:
(noun) boetiek, modewinkel, gespecialiseerd;
(adjective) boetiek, gespecialiseerd
Voorbeeld:
(noun) delicatessenwinkel, traiteur, delicatessenafdeling
Voorbeeld:
(noun) emporium, warenhuis
Voorbeeld:
(noun) kiosk, kraampje, informatiekiosk
Voorbeeld:
(noun) wasserette, wasalon
Voorbeeld:
(noun) slijterij
Voorbeeld:
(noun) zitkamer, salon, zaak
Voorbeeld:
(noun) pandjeshuis, lommerd
Voorbeeld:
(noun) plein, winkelcentrum
Voorbeeld:
(noun) district, wijk, stemdistrict
Voorbeeld:
(noun) eigenaar, bezitter
Voorbeeld:
(noun) verkwister, verkwistster;
(adjective) verkwistend, kwistig
Voorbeeld:
(noun) verkoper, leverancier
Voorbeeld:
(noun) natte markt
Voorbeeld:
(adverb) groothandel, in het groot, grootschalig;
(adjective) groothandel, groothandels-;
(noun) groothandel
Voorbeeld:
(plural noun) toiletartikelen, badkamerbenodigdheden
Voorbeeld:
(plural noun) witgoed
Voorbeeld: