Vocabulaireverzameling Geluid en grootte in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Geluid en grootte' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) schallen, loeien, dreunen;
(noun) geschal, geloei, kabaal
Voorbeeld:
(verb) rammelen, klapperen, van streek maken;
(noun) gerammel, rammelaar
Voorbeeld:
(noun) schreeuw, gil;
(verb) schreeuwen, gillen
Voorbeeld:
(verb) ronken, trommelen;
(noun) geronk, gezoem
Voorbeeld:
(verb) borrelen, gorgelen, koeren;
(noun) geborrel, gekoer
Voorbeeld:
(verb) klinken, rammelen;
(noun) klank, gerammel
Voorbeeld:
(verb) knisperen, kraken;
(noun) geknisper, gekraak
Voorbeeld:
(noun) gebrul, brul;
(verb) brullen, bulderen
Voorbeeld:
(verb) kraken, piepen;
(noun) kraak, piep
Voorbeeld:
(noun) ophef, herrie, lawaai
Voorbeeld:
(noun) cadans, intonatie, cadens
Voorbeeld:
(noun) toonhoogte, worp, gooi;
(verb) gooien, werpen, opzetten
Voorbeeld:
(noun) ritme, regelmaat
Voorbeeld:
(verb) weerklinken, galmen, echoën
Voorbeeld:
(verb) rinkelen, kletteren, op de zenuwen werken;
(noun) gerinkel, gekletter
Voorbeeld:
(noun) omvang, grootte, magnitude
Voorbeeld:
(adjective) grandioos, hoogdravend, weids
Voorbeeld:
(adjective) onopvallend, niet indrukwekkend
Voorbeeld:
(adjective) minuscuul, piepklein
Voorbeeld:
(adjective) klein, minuscuul, gering;
(noun) verkleinwoord, diminutief
Voorbeeld:
(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig
Voorbeeld:
(adjective) enorm, reusachtig, gigantisch
Voorbeeld:
(adjective) hoog, verheven, nobel
Voorbeeld:
(adjective) microscopisch, minuscuul, verwaarloosbaar
Voorbeeld:
(adjective) oversized, te groot
Voorbeeld:
(adjective) massief, enorm, aanzienlijk
Voorbeeld:
(noun) miniatuur, model, miniatuurportret;
(adjective) miniatuur, klein
Voorbeeld:
(verb) opblazen, overdrijven
Voorbeeld:
(verb) leeglopen, laten leeglopen, ontmoedigen
Voorbeeld:
(noun) contract, overeenkomst;
(verb) samentrekken, krimpen, oplopen
Voorbeeld: