Avatar of Vocabulary Set Geluid en grootte

Vocabulaireverzameling Geluid en grootte in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Geluid en grootte' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

blare

/bler/

(verb) schallen, loeien, dreunen;

(noun) geschal, geloei, kabaal

Voorbeeld:

The car horns began to blare in the traffic jam.
De claxons begonnen te schallen in de file.

rattle

/ˈræt̬.əl/

(verb) rammelen, klapperen, van streek maken;

(noun) gerammel, rammelaar

Voorbeeld:

The windows rattled in the strong wind.
De ramen rammelden in de harde wind.

shriek

/ʃriːk/

(noun) schreeuw, gil;

(verb) schreeuwen, gillen

Voorbeeld:

A sudden shriek pierced the silence of the night.
Een plotselinge schreeuw doorboorde de stilte van de nacht.

thrum

/θrʌm/

(verb) ronken, trommelen;

(noun) geronk, gezoem

Voorbeeld:

The engine began to thrum steadily as we accelerated.
De motor begon gestaag te ronken terwijl we versnelden.

gurgle

/ˈɡɝː.ɡəl/

(verb) borrelen, gorgelen, koeren;

(noun) geborrel, gekoer

Voorbeeld:

The stream gurgled over the rocks.
De beek borrelde over de rotsen.

clang

/klæŋ/

(verb) klinken, rammelen;

(noun) klank, gerammel

Voorbeeld:

The old bell began to clang loudly.
De oude bel begon luid te klinken.

crackle

/ˈkræk.əl/

(verb) knisperen, kraken;

(noun) geknisper, gekraak

Voorbeeld:

The logs began to crackle in the fireplace.
De houtblokken begonnen te knisperen in de haard.

bellow

/ˈbel.oʊ/

(noun) gebrul, brul;

(verb) brullen, bulderen

Voorbeeld:

The bull let out a mighty bellow.
De stier liet een machtig gebrul horen.

creak

/kriːk/

(verb) kraken, piepen;

(noun) kraak, piep

Voorbeeld:

The old wooden floorboards creaked under his weight.
De oude houten vloerplanken kraakten onder zijn gewicht.

ruckus

/ˈrʌk.əs/

(noun) ophef, herrie, lawaai

Voorbeeld:

The children caused quite a ruckus in the classroom.
De kinderen veroorzaakten nogal een ophef in het klaslokaal.

cadence

/ˈkeɪ.dəns/

(noun) cadans, intonatie, cadens

Voorbeeld:

The speaker's voice had a soothing cadence.
De stem van de spreker had een rustgevende cadans.

pitch

/pɪtʃ/

(noun) toonhoogte, worp, gooi;

(verb) gooien, werpen, opzetten

Voorbeeld:

Her voice rose to a high pitch.
Haar stem steeg naar een hoge toonhoogte.

rhythm

/ˈrɪð.əm/

(noun) ritme, regelmaat

Voorbeeld:

The dancer moved with a graceful rhythm.
De danser bewoog met een sierlijk ritme.

reverberate

/rɪˈvɝː.bɚ.eɪt/

(verb) weerklinken, galmen, echoën

Voorbeeld:

The sound of the bell continued to reverberate through the valley.
Het geluid van de bel bleef door de vallei weerklinken.

jangle

/ˈdʒæŋ.ɡəl/

(verb) rinkelen, kletteren, op de zenuwen werken;

(noun) gerinkel, gekletter

Voorbeeld:

The keys jangled in his pocket as he ran.
De sleutels rinkelden in zijn zak terwijl hij rende.

magnitude

/ˈmæɡ.nə.tuːd/

(noun) omvang, grootte, magnitude

Voorbeeld:

The magnitude of the earthquake was devastating.
De omvang van de aardbeving was verwoestend.

grandiose

/ˈɡræn.di.oʊs/

(adjective) grandioos, hoogdravend, weids

Voorbeeld:

The billionaire had grandiose plans to build a city on Mars.
De miljardair had grandioze plannen om een stad op Mars te bouwen.

unimposing

/ˌʌn.ɪmˈpoʊ.zɪŋ/

(adjective) onopvallend, niet indrukwekkend

Voorbeeld:

The entrance to the hotel was surprisingly unimposing.
De ingang van het hotel was verrassend onopvallend.

minuscule

/ˈmɪn.ə.skjuːl/

(adjective) minuscuul, piepklein

Voorbeeld:

The chances of success were minuscule.
De kansen op succes waren minuscuul.

diminutive

/dɪˈmɪn.jə.t̬ɪv/

(adjective) klein, minuscuul, gering;

(noun) verkleinwoord, diminutief

Voorbeeld:

She was a diminutive figure, barely reaching his shoulder.
Ze was een kleine figuur, nauwelijks tot zijn schouder reikend.

gigantic

/ˌdʒaɪˈɡæn.t̬ɪk/

(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig

Voorbeeld:

The company built a gigantic new factory.
Het bedrijf bouwde een gigantische nieuwe fabriek.

enormous

/əˈnɔːr.məs/

(adjective) enorm, reusachtig, gigantisch

Voorbeeld:

The company made an enormous profit this year.
Het bedrijf maakte dit jaar een enorme winst.

lofty

/ˈlɑːf.ti/

(adjective) hoog, verheven, nobel

Voorbeeld:

The lofty mountains touched the clouds.
De hoge bergen raakten de wolken aan.

microscopic

/ˌmaɪ.krəˈskɑː.pɪk/

(adjective) microscopisch, minuscuul, verwaarloosbaar

Voorbeeld:

The bacteria are microscopic organisms.
De bacteriën zijn microscopische organismen.

oversized

/ˈoʊ·vərˌsɑɪzd/

(adjective) oversized, te groot

Voorbeeld:

She wore an oversized sweater that almost reached her knees.
Ze droeg een oversized trui die bijna tot haar knieën reikte.

massive

/ˈmæs.ɪv/

(adjective) massief, enorm, aanzienlijk

Voorbeeld:

The building has a massive oak door.
Het gebouw heeft een massieve eiken deur.

miniature

/ˈmɪn.i.ə.tʃɚ/

(noun) miniatuur, model, miniatuurportret;

(adjective) miniatuur, klein

Voorbeeld:

He collected miniatures of classic cars.
Hij verzamelde miniaturen van klassieke auto's.

inflate

/ɪnˈfleɪt/

(verb) opblazen, overdrijven

Voorbeeld:

He used a pump to inflate the bicycle tires.
Hij gebruikte een pomp om de fietsbanden op te pompen.

deflate

/dɪˈfleɪt/

(verb) leeglopen, laten leeglopen, ontmoedigen

Voorbeeld:

The mechanic had to deflate the tire to repair it.
De monteur moest de band laten leeglopen om hem te repareren.

contract

/ˈkɑːn.trækt/

(noun) contract, overeenkomst;

(verb) samentrekken, krimpen, oplopen

Voorbeeld:

They signed a contract for the new house.
Ze tekenden een contract voor het nieuwe huis.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland