Vocabulaireverzameling Landbouw en bosbouw in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Landbouw en bosbouw' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) oogst, opbrengst;
(verb) oogsten, binnenhalen, plukken
Voorbeeld:
(verb) verbouwen, bewerken, ontwikkelen
Voorbeeld:
(verb) opleveren, produceren, opbrengen;
(noun) opbrengst, productie, rendement
Voorbeeld:
(noun) ploeg;
(verb) ploegen, omploegen, zich een weg banen
Voorbeeld:
(noun) schoffel, slet, hoer;
(verb) schoffelen
Voorbeeld:
(preposition) tot;
(conjunction) totdat;
(noun) kassa, geldlade;
(verb) bewerken, ploegen
Voorbeeld:
(noun) meststof, kunstmest
Voorbeeld:
(noun) irrigatie, beregening
Voorbeeld:
(noun) infiltratie, binnendringing, doorsijpeling
Voorbeeld:
(noun) neerslag, precipitatie, uitfelling
Voorbeeld:
(adjective) semi-aride, halfwoestijnachtig
Voorbeeld:
(adjective) naaldboom-, conifeer-
Voorbeeld:
(adjective) bladverliezend, melk-
Voorbeeld:
(noun) deelbouw, metayage
Voorbeeld:
(noun) zaailing, kiemplant
Voorbeeld:
(adjective) biologisch, organisch, natuurlijk
Voorbeeld:
(noun) insecticide, insectenverdelger
Voorbeeld:
(noun) bestrijdingsmiddel, pesticide
Voorbeeld:
(noun) herbicide, onkruidverdelger
Voorbeeld:
(noun) terras, rijtjeshuis, rij huizen;
(verb) terrassen, aanleggen in terrassen
Voorbeeld:
(noun) mest, dierlijke mest;
(verb) bemesten, mesten
Voorbeeld:
(noun) compost;
(verb) composteren
Voorbeeld:
(noun) mulch, bodembedekker;
(verb) mulchen, bedekken
Voorbeeld:
(adjective) waardeloos, nep;
(noun) duff, gestoomde pudding, humus;
(verb) verknoeien, verprutsen
Voorbeeld:
(noun) onkruid, wiet, marihuana;
(verb) wieden, onkruid verwijderen, uitroeien
Voorbeeld:
(noun) kruis, kruising, hybride;
(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;
(adjective) boos, geïrriteerd
Voorbeeld:
(noun) plaag, plantenziekte;
(verb) verpesten, aantasten
Voorbeeld:
(noun) ongedierte, uitschot, gespuis
Voorbeeld:
(noun) houtkap, bosbouw, registratie
Voorbeeld:
(noun) plaag, besmetting, invasie
Voorbeeld:
(adjective) agrarisch, landbouw-, landbezit-
Voorbeeld:
(noun) braakliggend terrein, wildernis, woestenij
Voorbeeld:
(noun) graanschuur, spieker, voorraadschuur
Voorbeeld:
(noun) hydrocultuur
Voorbeeld:
(noun) eutrofiëring
Voorbeeld:
(noun) gierst
Voorbeeld:
(noun) maïs, koren
Voorbeeld:
(noun) squash, pompoen, courgette;
(verb) platdrukken, verpletteren
Voorbeeld:
(noun) saffloer
Voorbeeld:
(noun) bloemkool
Voorbeeld:
(noun) duizendblad, vederkruid
Voorbeeld:
(noun) berk, berkenboom
Voorbeeld:
(noun) hyfe
Voorbeeld:
(noun) asperge
Voorbeeld:
(noun) kalebas, pompoen, drinkbeker van kalebas
Voorbeeld:
(noun) radijs
Voorbeeld:
(noun) scheerling, tsuga
Voorbeeld:
(noun) peulvrucht, boon
Voorbeeld:
(noun) postelein
Voorbeeld: