Avatar of Vocabulary Set Status

Vocabulaireverzameling Status in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Status' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

equilibrium

/ˌiː.kwəˈlɪb.ri.əm/

(noun) evenwicht, balans, fysiek evenwicht

Voorbeeld:

The market reached a state of equilibrium between supply and demand.
De markt bereikte een staat van evenwicht tussen vraag en aanbod.

disrepair

/ˌdɪs.rɪˈper/

(noun) verval, slechte staat, bouwvalligheid

Voorbeeld:

The old house had fallen into a state of disrepair.
Het oude huis was in staat van verval geraakt.

seclusion

/səˈkluː.ʒən/

(noun) afzondering, isolement

Voorbeeld:

He spent his final years in seclusion.
Hij bracht zijn laatste jaren door in afzondering.

privacy

/ˈpraɪ.və.si/

(noun) privacy, intimiteit

Voorbeeld:

She values her privacy and rarely shares personal details.
Ze hecht waarde aan haar privacy en deelt zelden persoonlijke details.

serenity

/səˈren.ə.t̬i/

(noun) sereniteit, rust, kalmte

Voorbeeld:

The lake at dawn offered a scene of perfect serenity.
Het meer bij zonsopgang bood een tafereel van perfecte sereniteit.

stability

/stəˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) stabiliteit, vastheid, evenwicht

Voorbeeld:

The country is seeking economic stability.
Het land streeft naar economische stabiliteit.

sustainability

/səˌsteɪ.nəˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) duurzaamheid, milieuduurzaamheid

Voorbeeld:

The sustainability of the economic growth is a key concern.
De duurzaamheid van de economische groei is een belangrijk punt van zorg.

moratorium

/ˌmɔːr.əˈtɔːr.i.əm/

(noun) moratorium, tijdelijk verbod, uitstel van betaling

Voorbeeld:

The government declared a moratorium on new construction in the area.
De regering kondigde een moratorium af op nieuwe bouw in het gebied.

backlog

/ˈbæk.lɑːɡ/

(noun) achterstand;

(verb) achterstand oplopen, ophopen

Voorbeeld:

We have a huge backlog of orders to process.
We hebben een enorme achterstand aan bestellingen om te verwerken.

muddle

/ˈmʌd.əl/

(noun) warboel, verwarring;

(verb) verwarren, door de war brengen, kneuzen

Voorbeeld:

The documents were in a complete muddle.
De documenten waren een complete warboel.

high-profile

/ˌhaɪˈproʊ.faɪl/

(adjective) spraakmakend, prominent, bekend

Voorbeeld:

The company hired a high-profile lawyer for the case.
Het bedrijf huurde een spraakmakende advocaat in voor de zaak.

tangle

/ˈtæŋ.ɡəl/

(noun) klit, wirwar, verwarring;

(verb) verwarren, in de war brengen, verstrikt raken

Voorbeeld:

Her hair was a messy tangle after the windy walk.
Haar haar was een rommelige klit na de winderige wandeling.

circumstance

/ˈsɝː.kəm.stæns/

(noun) omstandigheid, situatie, omstandigheden

Voorbeeld:

The police are investigating the circumstances of her death.
De politie onderzoekt de omstandigheden van haar dood.

remain

/rɪˈmeɪn/

(verb) overblijven, resten, blijven;

(noun) resten, overblijfselen

Voorbeeld:

Only a few ruins remain from the ancient city.
Slechts enkele ruïnes blijven over van de oude stad.

retain

/rɪˈteɪn/

(verb) behouden, vasthouden, absorberen

Voorbeeld:

She managed to retain her composure despite the bad news.
Ze slaagde erin haar kalmte te behouden ondanks het slechte nieuws.

preserve

/prɪˈzɝːv/

(verb) behouden, bewaren, conserveren;

(noun) jam, confituur, conserven

Voorbeeld:

We must preserve our natural resources for future generations.
We moeten onze natuurlijke hulpbronnen behouden voor toekomstige generaties.

suffice

/səˈfaɪs/

(verb) volstaan, voldoende zijn

Voorbeeld:

A small snack will suffice until dinner.
Een kleine snack zal volstaan tot het avondeten.

pertain

/pərˈteɪn/

(verb) betreffen, betrekking hebben op, van toepassing zijn op

Voorbeeld:

The rules pertain to all members of the club.
De regels betreffen alle leden van de club.

coexist

/ˌkoʊ.ɪɡˈzɪst/

(verb) coëxisteren, naast elkaar bestaan

Voorbeeld:

Different cultures can coexist peacefully within a single city.
Verschillende culturen kunnen vreedzaam naast elkaar bestaan in één stad.

suspend

/səˈspend/

(verb) opschorten, schorsen, ophangen

Voorbeeld:

The club has suspended him for two matches.
De club heeft hem voor twee wedstrijden geschorst.

correspond

/ˌkɔːr.əˈspɑːnd/

(verb) overeenkomen, corresponderen, briefwisseling hebben

Voorbeeld:

The results of the experiment correspond with our predictions.
De resultaten van het experiment komen overeen met onze voorspellingen.

correlate

/ˈkɔːr.ə.leɪt/

(verb) correleren, verband houden met;

(noun) correlatie, verband

Voorbeeld:

Stress levels often correlate with workload.
Stressniveaus correleren vaak met de werkdruk.

declassify

/ˌdiːˈklæs.ə.faɪ/

(verb) vrijgeven, declassificeren

Voorbeeld:

The government decided to declassify the documents after fifty years.
De regering besloot de documenten na vijftig jaar vrij te geven.

operative

/ˈɑː.pɚ.ə.t̬ɪv/

(adjective) operationeel, werkzaam, doorslaggevend;

(noun) bediener, werknemer, geheim agent

Voorbeeld:

The new system will be operative next month.
Het nieuwe systeem zal volgende maand operationeel zijn.

predetermined

/ˌpriː.dɪˈtɝː.mɪnd/

(adjective) vooraf bepaald, voorbestemd

Voorbeeld:

The outcome of the game was predetermined by the biased referee.
De uitkomst van de wedstrijd was vooraf bepaald door de bevooroordeelde scheidsrechter.

interdependent

/ˌɪn.t̬ɚ.dɪˈpen.dənt/

(adjective) onderling afhankelijk, interdependent

Voorbeeld:

The world's economies are increasingly interdependent.
De economieën van de wereld zijn in toenemende mate onderling afhankelijk.

undisturbed

/ˌʌn.dɪˈstɝːbd/

(adjective) ongestoord, ongerept

Voorbeeld:

I need a few hours of undisturbed sleep.
Ik heb een paar uur ongestoorde slaap nodig.

intact

/ɪnˈtækt/

(adjective) intact, ongeschonden, compleet

Voorbeeld:

Despite the accident, the ancient vase remained intact.
Ondanks het ongeluk bleef de oude vaas intact.

dormant

/ˈdɔːr.mənt/

(adjective) slapend, inactief

Voorbeeld:

The volcano has been dormant for centuries.
De vulkaan is al eeuwenlang slapend.

idle

/ˈaɪ.dəl/

(adjective) inactief, stil, ledig;

(verb) luieren, stationair draaien

Voorbeeld:

The factory has been idle for months.
De fabriek staat al maanden stil.

idyllic

/aɪˈdɪl.ɪk/

(adjective) idyllisch, pastoraal

Voorbeeld:

They spent an idyllic summer in the countryside.
Ze brachten een idyllische zomer door op het platteland.

defunct

/dɪˈfʌŋkt/

(adjective) niet meer bestaand, opgeheven, overleden

Voorbeeld:

The defunct company was once a leader in the industry.
Het failliete bedrijf was ooit een leider in de sector.

chaotic

/keɪˈɑː.t̬ɪk/

(adjective) chaotisch, wanordelijk

Voorbeeld:

The traffic in the city center was chaotic during rush hour.
Het verkeer in het stadscentrum was chaotisch tijdens de spits.

full-fledged

/ˌfʊlˈfledʒd/

(adjective) volwaardig, volgroeid, volledig ontwikkeld

Voorbeeld:

After years of training, he became a full-fledged doctor.
Na jaren van training werd hij een volwaardige arts.

awry

/əˈraɪ/

(adjective) mis, verkeerd, scheef

Voorbeeld:

Our plans for the weekend went awry because of the storm.
Onze plannen voor het weekend liepen mis door de storm.

alight

/əˈlaɪt/

(verb) uitstappen, afstappen;

(adjective) in brand, verlicht, stralend

Voorbeeld:

Passengers must alight from the bus at the next stop.
Passagiers moeten bij de volgende halte uit de bus stappen.

ablaze

/əˈbleɪz/

(adjective) in lichterlaaie, brandend, stralend

Voorbeeld:

The whole building was ablaze within minutes.
Het hele gebouw stond binnen enkele minuten in lichterlaaie.

tranquil

/ˈtræŋ.kwəl/

(adjective) rustig, kalm

Voorbeeld:

The hotel is located in a tranquil rural setting.
Het hotel is gelegen in een rustige landelijke omgeving.

steady

/ˈsted.i/

(adjective) stabiel, vast, constant;

(verb) stabiliseren, kalmeren;

(adverb) gestaag, stabiel

Voorbeeld:

Make sure the ladder is steady before you climb it.
Zorg ervoor dat de ladder stabiel is voordat je erop klimt.

derelict

/ˈder.ə.lɪkt/

(adjective) verlaten, verwaarloosd, vervallen;

(noun) dakloze, verlaten persoon

Voorbeeld:

The old factory stood derelict for years before it was demolished.
De oude fabriek stond jarenlang verlaten voordat hij werd gesloopt.

pitiable

/ˈpɪt̬.i.ə.bəl/

(adjective) erbarmelijk, deerniswekkend

Voorbeeld:

The abandoned puppy was in a pitiable condition.
De achtergelaten puppy verkeerde in een erbarmelijke toestand.

indivisible

/ˌɪn.dɪˈvɪz.ə.bəl/

(adjective) ondeelbaar, onafscheidelijk

Voorbeeld:

The atom was once thought to be indivisible.
De atoom werd ooit als ondeelbaar beschouwd.

quiescent

/kwiˈes.ənt/

(adjective) inactief, slapend, rustend

Voorbeeld:

The volcano has been quiescent for decades.
De vulkaan is al decennia inactief.

inseparable

/ɪnˈsep.rə.bəl/

(adjective) onafscheidelijk, onlosmakelijk

Voorbeeld:

The two friends were inseparable.
De twee vrienden waren onafscheidelijk.

self-sufficient

/ˌself.səˈfɪʃ.ənt/

(adjective) zelfvoorzienend, zelfstandig

Voorbeeld:

The family is self-sufficient and grows all their own vegetables.
Het gezin is zelfvoorzienend en verbouwt al hun eigen groenten.

stagnant

/ˈstæɡ.nənt/

(adjective) stilstaand, stagnerend, futloos

Voorbeeld:

The pond was filled with stagnant water.
De vijver was gevuld met stilstaand water.

inherently

/ɪnˈhɪr.ənt.li/

(adverb) intrinsiek, van nature

Voorbeeld:

Firefighting is an inherently dangerous job.
Brandbestrijding is een intrinsiek gevaarlijke baan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland