Vocabulaireverzameling Status in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Status' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) evenwicht, balans, fysiek evenwicht
Voorbeeld:
(noun) verval, slechte staat, bouwvalligheid
Voorbeeld:
(noun) afzondering, isolement
Voorbeeld:
(noun) privacy, intimiteit
Voorbeeld:
(noun) sereniteit, rust, kalmte
Voorbeeld:
(noun) stabiliteit, vastheid, evenwicht
Voorbeeld:
(noun) duurzaamheid, milieuduurzaamheid
Voorbeeld:
(noun) moratorium, tijdelijk verbod, uitstel van betaling
Voorbeeld:
(noun) achterstand;
(verb) achterstand oplopen, ophopen
Voorbeeld:
(noun) warboel, verwarring;
(verb) verwarren, door de war brengen, kneuzen
Voorbeeld:
(adjective) spraakmakend, prominent, bekend
Voorbeeld:
(noun) klit, wirwar, verwarring;
(verb) verwarren, in de war brengen, verstrikt raken
Voorbeeld:
(noun) omstandigheid, situatie, omstandigheden
Voorbeeld:
(verb) overblijven, resten, blijven;
(noun) resten, overblijfselen
Voorbeeld:
(verb) behouden, vasthouden, absorberen
Voorbeeld:
(verb) behouden, bewaren, conserveren;
(noun) jam, confituur, conserven
Voorbeeld:
(verb) volstaan, voldoende zijn
Voorbeeld:
(verb) betreffen, betrekking hebben op, van toepassing zijn op
Voorbeeld:
(verb) coëxisteren, naast elkaar bestaan
Voorbeeld:
(verb) opschorten, schorsen, ophangen
Voorbeeld:
(verb) overeenkomen, corresponderen, briefwisseling hebben
Voorbeeld:
(verb) correleren, verband houden met;
(noun) correlatie, verband
Voorbeeld:
(verb) vrijgeven, declassificeren
Voorbeeld:
(adjective) operationeel, werkzaam, doorslaggevend;
(noun) bediener, werknemer, geheim agent
Voorbeeld:
(adjective) vooraf bepaald, voorbestemd
Voorbeeld:
(adjective) onderling afhankelijk, interdependent
Voorbeeld:
(adjective) ongestoord, ongerept
Voorbeeld:
(adjective) intact, ongeschonden, compleet
Voorbeeld:
(adjective) slapend, inactief
Voorbeeld:
(adjective) inactief, stil, ledig;
(verb) luieren, stationair draaien
Voorbeeld:
(adjective) idyllisch, pastoraal
Voorbeeld:
(adjective) niet meer bestaand, opgeheven, overleden
Voorbeeld:
(adjective) chaotisch, wanordelijk
Voorbeeld:
(adjective) volwaardig, volgroeid, volledig ontwikkeld
Voorbeeld:
(adjective) mis, verkeerd, scheef
Voorbeeld:
(verb) uitstappen, afstappen;
(adjective) in brand, verlicht, stralend
Voorbeeld:
(adjective) in lichterlaaie, brandend, stralend
Voorbeeld:
(adjective) rustig, kalm
Voorbeeld:
(adjective) stabiel, vast, constant;
(verb) stabiliseren, kalmeren;
(adverb) gestaag, stabiel
Voorbeeld:
(adjective) verlaten, verwaarloosd, vervallen;
(noun) dakloze, verlaten persoon
Voorbeeld:
(adjective) erbarmelijk, deerniswekkend
Voorbeeld:
(adjective) ondeelbaar, onafscheidelijk
Voorbeeld:
(adjective) inactief, slapend, rustend
Voorbeeld:
(adjective) onafscheidelijk, onlosmakelijk
Voorbeeld:
(adjective) zelfvoorzienend, zelfstandig
Voorbeeld:
(adjective) stilstaand, stagnerend, futloos
Voorbeeld:
(adverb) intrinsiek, van nature
Voorbeeld: