Avatar of Vocabulary Set Eten klaarmaken

Vocabulaireverzameling Eten klaarmaken in Algemene IELTS-woordenschat (band 6-7): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eten klaarmaken' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 6-7)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

garnish

/ˈɡɑːr.nɪʃ/

(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;

(noun) garnering, versiering

Voorbeeld:

Garnish the dish with fresh parsley.
Garneer het gerecht met verse peterselie.

whisk

/wɪsk/

(noun) garde;

(verb) kloppen, garde, snel verplaatsen

Voorbeeld:

She used a whisk to beat the eggs until they were fluffy.
Ze gebruikte een garde om de eieren luchtig te kloppen.

stir

/stɝː/

(verb) roeren, bewegen, opwekken;

(noun) beweging, opschudding

Voorbeeld:

She stirred her coffee with a spoon.
Ze roerde haar koffie met een lepel.

mince

/mɪns/

(verb) hakken, fijnhakken, trippelen;

(noun) gehakt

Voorbeeld:

She decided to mince the beef for the shepherd's pie.
Ze besloot het rundvlees te hakken voor de shepherd's pie.

steam

/stiːm/

(noun) stoom, stoomkracht, stoomenergie;

(verb) stomen, voortbewegen met stoom, woedend zijn

Voorbeeld:

The kettle produced a lot of steam.
De waterkoker produceerde veel stoom.

simmer

/ˈsɪm.ɚ/

(verb) sudderen, zachtjes koken, broeien;

(noun) sudder, broei

Voorbeeld:

Let the sauce simmer for 20 minutes.
Laat de saus 20 minuten sudderen.

caramelize

/ˈkɑːr.məl.aɪz/

(verb) karameliseren

Voorbeeld:

You need to caramelize the sugar slowly to prevent it from burning.
Je moet de suiker langzaam karameliseren om te voorkomen dat het aanbrandt.

reheat

/ˌriːˈhiːt/

(verb) opwarmen, verwarmen

Voorbeeld:

You can reheat the leftovers in the microwave.
Je kunt de restjes opwarmen in de magnetron.

drizzle

/ˈdrɪz.əl/

(noun) motregen;

(verb) motregenen, druppelen, besprenkelen

Voorbeeld:

A fine drizzle was falling as we left the house.
Een fijne motregen viel toen we het huis verlieten.

barbecue

/ˈbɑːr.bə.kjuː/

(noun) barbecue, BBQ, grill;

(verb) barbecueën, grillen

Voorbeeld:

We're having a barbecue on Saturday.
We houden zaterdag een barbecue.

carve

/kɑːrv/

(verb) snijden, houwen, trancheren

Voorbeeld:

He decided to carve a bird out of the block of wood.
Hij besloot een vogel uit het blok hout te snijden.

seed

/siːd/

(noun) zaad, pit, kiem;

(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten

Voorbeeld:

Plant the seed in fertile soil.
Plant het zaad in vruchtbare grond.

stew

/stuː/

(noun) stoofpot, ragout;

(verb) stoven, sudderen, piekeren

Voorbeeld:

She prepared a hearty beef stew for dinner.
Ze bereidde een stevige runderstoofpot voor het avondeten.

soak

/soʊk/

(verb) weken, doorweken, opnemen;

(noun) week, bad

Voorbeeld:

Soak the clothes in warm water before washing.
Week de kleren in warm water voordat je ze wast.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland