Avatar of Vocabulary Set Het menselijk lichaam

Vocabulaireverzameling Het menselijk lichaam in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Het menselijk lichaam' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

anatomy

/əˈnæt̬.ə.mi/

(noun) anatomie, lichaamsbouw, analyse

Voorbeeld:

She is studying human anatomy at university.
Ze studeert menselijke anatomie aan de universiteit.

vein

/veɪn/

(noun) ader, bloedvat, nerf

Voorbeeld:

The nurse struggled to find a suitable vein for the injection.
De verpleegster had moeite om een geschikte ader te vinden voor de injectie.

skull

/skʌl/

(noun) schedel;

(verb) slaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human skull protects the brain.
De menselijke schedel beschermt de hersenen.

bone

/boʊn/

(noun) bot, been, botmateriaal;

(verb) ontbenen

Voorbeeld:

The dog buried a bone in the backyard.
De hond begroef een bot in de achtertuin.

skin

/skɪn/

(noun) huid, schil;

(verb) villen, schillen

Voorbeeld:

She has very sensitive skin.
Ze heeft een zeer gevoelige huid.

skeleton

/ˈskel.ə.t̬ən/

(noun) skelet, basisstructuur, raamwerk

Voorbeeld:

The human skeleton is made up of 206 bones.
Het menselijk skelet bestaat uit 206 botten.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

pulse

/pʌls/

(noun) pols, puls, impuls;

(verb) pulseren, kloppen

Voorbeeld:

The doctor checked her pulse.
De dokter controleerde haar pols.

system

/ˈsɪs.təm/

(noun) systeem, methode, stelsel

Voorbeeld:

The new filing system improved efficiency.
Het nieuwe archiveringssysteem verbeterde de efficiëntie.

flesh

/fleʃ/

(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;

(verb) uitwerken, verdiepen

Voorbeeld:

The wound went deep into the flesh.
De wond ging diep in het vlees.

waist

/weɪst/

(noun) taille

Voorbeeld:

She tied a belt around her waist.
Ze bond een riem om haar taille.

chest

/tʃest/

(noun) borst, kist, koffer

Voorbeeld:

He felt a sharp pain in his chest.
Hij voelde een scherpe pijn in zijn borst.

vessel

/ˈves.əl/

(noun) vaartuig, schip, vat

Voorbeeld:

The fishing vessel returned to port with a full catch.
Het vissersvaartuig keerde met een volle vangst terug naar de haven.

brain

/breɪn/

(noun) hersenen, brein, intelligentie;

(verb) hersens inslaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human brain is a complex organ.
Het menselijk brein is een complex orgaan.

heart

/hɑːrt/

(noun) hart, gemoed, kern;

(verb) bemoedigen, aanmoedigen

Voorbeeld:

The doctor listened to her heart with a stethoscope.
De dokter luisterde met een stethoscoop naar haar hart.

inhale

/ɪnˈheɪl/

(verb) inademen, inhaleren

Voorbeeld:

She took a deep breath and began to inhale the fresh mountain air.
Ze haalde diep adem en begon de frisse berglucht te inademen.

exhale

/eksˈheɪl/

(verb) uitademen

Voorbeeld:

She took a deep breath and slowly exhaled.
Ze haalde diep adem en ademde langzaam uit.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland