Vocabulaireverzameling Familie in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Familie' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) ouder, ouderdier, ouderplant;
(verb) opvoeden, ouderschap uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) broer of zus, broers en zussen
Voorbeeld:
(noun) grootouder, grootouders
Voorbeeld:
(noun) grootmoeder, oma
Voorbeeld:
(noun) grootvader, opa
Voorbeeld:
(noun) kleinkind
Voorbeeld:
(noun) tante
Voorbeeld:
(noun) neef
Voorbeeld:
(noun) nichtje
Voorbeeld:
(noun) neef, nicht
Voorbeeld:
(noun) echtgenoot, man;
(verb) beheren, sparen, zuinig omgaan met
Voorbeeld:
(noun) vrouw, echtgenote
Voorbeeld:
(noun) schoonfamilie, aangetrouwde familie
Voorbeeld:
(noun) stiefvader
Voorbeeld:
(noun) stiefmoeder
Voorbeeld:
(noun) stiefzus
Voorbeeld:
(noun) stiefbroer
Voorbeeld:
(noun) stiefkind
Voorbeeld:
(noun) halfbroer
Voorbeeld:
(noun) halfzus
Voorbeeld:
(noun) tweeling, tegenhanger, evenbeeld;
(verb) koppelen, verbroederen, een tweeling vormen;
(adjective) tweeling-, dubbel
Voorbeeld:
(noun) peter, doopvader, peetvader;
(verb) peteren
Voorbeeld:
(noun) peetmoeder, meter
Voorbeeld:
(noun) doopzoon
Voorbeeld:
(noun) peetdochter
Voorbeeld:
(adjective) relatief, vergelijkend, gerelateerd;
(noun) familielid, verwant
Voorbeeld:
(noun) familie, verwanten
Voorbeeld: