Vocabulaireverzameling Crimineel in IELTS Academische Woordenschat (Band 8-9): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Crimineel' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 8-9)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) opstand, insurrectie, rebellie
Voorbeeld:
(noun) misstap, vergrijp, misdrijf
Voorbeeld:
(noun) namaak, vals;
(adjective) vals, nagemaakt;
(verb) vervalsen, namaken
Voorbeeld:
(noun) getuigenbeïnvloeding, beïnvloeding van getuigen
Voorbeeld:
(noun) cold case, onopgeloste zaak
Voorbeeld:
(noun) burgerwacht, zelfbenoemde wetshandhaver;
(adjective) burgerwacht, van een burgerwacht
Voorbeeld:
(noun) vervalsing, namaak
Voorbeeld:
(noun) alibi
Voorbeeld:
(noun) misdaad, zwaar misdrijf
Voorbeeld:
(noun) onrechtmatige daad
Voorbeeld:
(verb) binnendringen, overtreden, overtreding;
(noun) huisvredebreuk, overtreding, zonde
Voorbeeld:
(noun) verduistering
Voorbeeld:
(noun) afpersing, chantage
Voorbeeld:
(noun) delinquentie, jeugdcriminaliteit, nalatigheid
Voorbeeld:
(noun) recidive, terugval in de misdaad
Voorbeeld:
(noun) boef, schurk, vandaal
Voorbeeld:
(noun) gangster, maffioso
Voorbeeld:
(noun) gangsterwereld, onderwereld;
(adjective) gangster-, onderwereld-
Voorbeeld:
(noun) buit, roofgoed;
(verb) plunderen, roven
Voorbeeld:
(noun) smaad, laster;
(verb) belasteren, beledigen
Voorbeeld:
(verb) samenspannen, colluderen
Voorbeeld:
(verb) pocheren, stropen, illegaal jagen
Voorbeeld:
(verb) stelen, pikken
Voorbeeld:
(adjective) passend, geschikt;
(verb) toe-eigenen, aanwenden, toewijzen
Voorbeeld:
(verb) overtuigen, bedriegen;
(noun) oplichting, bedrog, nadelen
Voorbeeld:
(verb) meineedigen, valse verklaring afleggen
Voorbeeld:
(adjective) illegaal, namaak;
(verb) smokkelen, illegaal produceren;
(noun) bootleg, illegale opname
Voorbeeld:
(verb) bedriegen, oplichten;
(noun) oplichting, zwendel
Voorbeeld:
(verb) plunderen, beroven, ontsieren
Voorbeeld:
(verb) smeden, vormen, vervalsen;
(noun) smidse, smederij
Voorbeeld:
(verb) afpersen, afdwingen
Voorbeeld:
(verb) plegen, uitvoeren
Voorbeeld:
(verb) kapen, gijzelen, overnemen;
(noun) kaping, gijzeling
Voorbeeld:
(verb) carjacken, auto kapen;
(noun) carjack, autokaping
Voorbeeld:
(verb) incrimineren, beschuldigen
Voorbeeld: