Avatar of Vocabulary Set Financiën

Vocabulaireverzameling Financiën in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Financiën' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

capital

/ˈkæp.ə.t̬əl/

(noun) hoofdstad, kapitaal, vermogen;

(adjective) kapitaal, doodstraf, uitstekend

Voorbeeld:

London is the capital of the United Kingdom.
Londen is de hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk.

cost

/kɑːst/

(noun) kosten, prijs, opoffering;

(verb) kosten, resulteren in verlies

Voorbeeld:

The total cost of the trip was over $1000.
De totale kosten van de reis waren meer dan $1000.

income

/ˈɪn.kʌm/

(noun) inkomen, opbrengst

Voorbeeld:

His annual income is sufficient to support his family.
Zijn jaarlijkse inkomen is voldoende om zijn gezin te onderhouden.

investment

/ɪnˈvest.mənt/

(noun) investering, belegging, waardevolle aankoop

Voorbeeld:

His investment in the stock market paid off handsomely.
Zijn investering in de aandelenmarkt heeft zich ruimschoots uitbetaald.

profit

/ˈprɑː.fɪt/

(noun) winst, profijt, voordeel;

(verb) profiteren, winst maken, baten

Voorbeeld:

The company reported a significant profit this quarter.
Het bedrijf rapporteerde dit kwartaal een aanzienlijke winst.

share

/ʃer/

(noun) deel, aandeel;

(verb) delen, meedelen

Voorbeeld:

Everyone received an equal share of the profits.
Iedereen ontving een gelijk deel van de winst.

finance

/ˈfaɪ.næns/

(noun) financiering, financiën, geldzaken;

(verb) financieren, bekostigen

Voorbeeld:

She works in the field of corporate finance.
Zij werkt op het gebied van bedrijfsfinanciering.

economy

/iˈkɑː.nə.mi/

(noun) economie, zuinigheid, besparing

Voorbeeld:

The country's economy is growing rapidly.
De economie van het land groeit snel.

interest

/ˈɪn.trɪst/

(noun) interesse, aandacht, rente;

(verb) interesseren, boeien

Voorbeeld:

She showed great interest in the new project.
Ze toonde grote interesse in het nieuwe project.

inflation

/ɪnˈfleɪ.ʃən/

(noun) inflatie, opblazing, zwelling

Voorbeeld:

The country is experiencing high inflation.
Het land ervaart hoge inflatie.

exchange

/ɪksˈtʃeɪndʒ/

(noun) uitwisseling, ruil, beurs;

(verb) uitwisselen, ruilen

Voorbeeld:

We made an exchange of gifts.
We hebben een uitwisseling van cadeaus gedaan.

expense

/ɪkˈspens/

(noun) uitgave, kosten, uitgaven

Voorbeeld:

Buying a new car is a big expense.
Een nieuwe auto kopen is een grote uitgave.

fund

/fʌnd/

(noun) fonds, kapitaal, voorraad;

(verb) financieren, bekostigen

Voorbeeld:

The university established a new fund for student scholarships.
De universiteit heeft een nieuw fonds opgericht voor studentenbeurzen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland