Avatar of Vocabulary Set Eenheid 13: Wat doe je in je vrije tijd?

Vocabulaireverzameling Eenheid 13: Wat doe je in je vrije tijd? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 13: Wat doe je in je vrije tijd?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

free time

/ˈfriː taɪm/

(noun) vrije tijd

Voorbeeld:

I like to read books in my free time.
Ik lees graag boeken in mijn vrije tijd.

watch

/wɑːtʃ/

(verb) kijken, observeren, opletten;

(noun) horloge, wacht, bewaking

Voorbeeld:

I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.

programme

/ˈproʊ.ɡræm/

(noun) programma, schema, computerprogramma;

(verb) programmeren, plannen

Voorbeeld:

What's on the programme for tonight?
Wat staat er op het programma voor vanavond?

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

club

/klʌb/

(noun) club, vereniging, knuppel;

(verb) slaan, knuppelen

Voorbeeld:

She joined a book club to meet new people.
Ze sloot zich aan bij een boekenclub om nieuwe mensen te ontmoeten.

dance

/dæns/

(verb) dansen, fladderen;

(noun) dans, dansfeest

Voorbeeld:

They love to dance all night long.
Ze houden ervan om de hele nacht te dansen.

sing

/sɪŋ/

(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten

Voorbeeld:

She loves to sing in the shower.
Ze houdt ervan om onder de douche te zingen.

question

/ˈkwes.tʃən/

(noun) vraag, vraagstuk, kwestie;

(verb) ondervragen, bevragen, betwijfelen

Voorbeeld:

She asked a difficult question.
Ze stelde een moeilijke vraag.

survey

/ˈsɝː.veɪ/

(noun) onderzoek, enquête, overzicht;

(verb) overzien, inspecteren, bekijken

Voorbeeld:

The architect conducted a survey of the building's structural integrity.
De architect voerde een onderzoek uit naar de structurele integriteit van het gebouw.

cartoon

/kɑːrˈtuːn/

(noun) tekenfilm, cartoon, spotprent

Voorbeeld:

My kids love watching Saturday morning cartoons.
Mijn kinderen kijken graag naar zaterdagochtend tekenfilms.

ask

/æsk/

(verb) vragen, informeren, verzoeken;

(noun) vraag, verzoek

Voorbeeld:

Can I ask you a question?
Mag ik je een vraag stellen?

go camping

/ɡoʊ ˈkæmpɪŋ/

(phrase) gaan kamperen, kamperen

Voorbeeld:

We plan to go camping in the mountains next summer.
We zijn van plan om volgende zomer te gaan kamperen in de bergen.

draw

/drɑː/

(verb) tekenen, trekken, aantrekken;

(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht

Voorbeeld:

She likes to draw animals.
Ze houdt ervan om dieren te tekenen.

forest

/ˈfɔːr.ɪst/

(noun) bos, woud;

(verb) bebossen, aanplanten

Voorbeeld:

We went for a walk in the forest.
We gingen wandelen in het bos.

camp

/kæmp/

(noun) kamp, fractie;

(verb) kamperen;

(adjective) overdreven, campy

Voorbeeld:

We set up camp near the river.
We sloegen kamp op bij de rivier.

jog

/dʒɑːɡ/

(verb) joggen, hardlopen, duwen;

(noun) jog, hardlooprondje, duw

Voorbeeld:

She likes to jog in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te joggen.

read

/riːd/

(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;

(noun) lezing, leesbeurt

Voorbeeld:

She loves to read books in her free time.
Ze houdt ervan om boeken te lezen in haar vrije tijd.

listen to music

/ˈlɪs.ən tə ˈmjuː.zɪk/

(phrase) naar muziek luisteren

Voorbeeld:

I like to listen to music while I work.
Ik luister graag naar muziek terwijl ik werk.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland