Avatar of Vocabulary Set Eenheid 20: Wat ga je deze zomer doen?

Vocabulaireverzameling Eenheid 20: Wat ga je deze zomer doen? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 20: Wat ga je deze zomer doen?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bay

/beɪ/

(noun) baai, nis, ruimte;

(verb) blaffen, huilen

Voorbeeld:

The ship sailed into the calm bay.
Het schip zeilde de kalme baai in.

build

/bɪld/

(verb) bouwen, opbouwen, toenemen;

(noun) bouw, lichaamsbouw

Voorbeeld:

They plan to build a new house next year.
Ze zijn van plan volgend jaar een nieuw huis te bouwen.

delicious

/dɪˈlɪʃ.əs/

(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam

Voorbeeld:

The cake was absolutely delicious.
De cake was absoluut heerlijk.

expensive

/ɪkˈspen.sɪv/

(adjective) duur, kostbaar

Voorbeeld:

The new car was very expensive.
De nieuwe auto was erg duur.

hotel

/hoʊˈtel/

(noun) hotel

Voorbeeld:

We booked a room at a luxurious hotel for our vacation.
We boekten een kamer in een luxueus hotel voor onze vakantie.

prepare

/prɪˈper/

(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden

Voorbeeld:

She needs to prepare dinner for her guests.
Ze moet het avondeten voorbereiden voor haar gasten.

sandcastle

/ˈsændˌkæs.əl/

(noun) zandkasteel

Voorbeeld:

The children spent hours building a magnificent sandcastle on the beach.
De kinderen brachten uren door met het bouwen van een prachtige zandkasteel op het strand.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

seafood

/ˈsiː.fuːd/

(noun) zeevruchten

Voorbeeld:

We had fresh seafood for dinner.
We hadden verse zeevruchten voor het avondeten.

stay

/steɪ/

(verb) blijven, verblijven, voortduren;

(noun) verblijf, logeerpartij

Voorbeeld:

Please stay here until I return.
Blijf hier alstublieft totdat ik terugkom.

travel

/ˈtræv.əl/

(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;

(noun) reis, reizen

Voorbeeld:

I love to travel to new countries.
Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.

trip

/trɪp/

(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;

(verb) struikelen, vallen, reizen

Voorbeeld:

We're planning a weekend trip to the mountains.
We plannen een weekendtrip naar de bergen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland