Avatar of Vocabulary Set Top 451 - 475 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 451 - 475 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 451 - 475 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

freedom

/ˈfriː.dəm/

(noun) vrijheid, vrijlating, bevrijding

Voorbeeld:

Everyone deserves the right to freedom of speech.
Iedereen verdient het recht op vrijheid van meningsuiting.

income

/ˈɪn.kʌm/

(noun) inkomen, opbrengst

Voorbeeld:

His annual income is sufficient to support his family.
Zijn jaarlijkse inkomen is voldoende om zijn gezin te onderhouden.

threat

/θret/

(noun) bedreiging, dreigement, gevaar

Voorbeeld:

He received a death threat.
Hij ontving een doodsbedreiging.

soul

/soʊl/

(noun) ziel, gevoel, passie

Voorbeeld:

Many believe the soul continues to exist after death.
Velen geloven dat de ziel na de dood blijft bestaan.

trick

/trɪk/

(noun) truc, streek, kunstje;

(verb) bedriegen, foppen

Voorbeeld:

He played a clever trick on his friends.
Hij speelde zijn vrienden een slimme truc.

investment

/ɪnˈvest.mənt/

(noun) investering, belegging, waardevolle aankoop

Voorbeeld:

His investment in the stock market paid off handsomely.
Zijn investering in de aandelenmarkt heeft zich ruimschoots uitbetaald.

factor

/ˈfæk.tɚ/

(noun) factor, oorzaak, deler;

(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden

Voorbeeld:

Cost was a major factor in our decision.
Kosten waren een belangrijke factor in onze beslissing.

supply

/səˈplaɪ/

(noun) voorraad, levering;

(verb) leveren, voorzien

Voorbeeld:

The emergency services have a good supply of blood.
De hulpdiensten hebben een goede voorraad bloed.

location

/loʊˈkeɪ.ʃən/

(noun) locatie, plek, locatiebepaling

Voorbeeld:

The restaurant has a great location overlooking the sea.
Het restaurant heeft een geweldige locatie met uitzicht op zee.

strength

/streŋθ/

(noun) kracht, sterkte, weerstand

Voorbeeld:

He lifted the heavy box with surprising strength.
Hij tilde de zware doos op met verrassende kracht.

milk

/mɪlk/

(noun) melk;

(verb) melken, uitmelken, uitbuiten

Voorbeeld:

She poured some milk into her coffee.
Ze schonk wat melk in haar koffie.

virus

/ˈvaɪ.rəs/

(noun) virus, computervirus

Voorbeeld:

The common cold is caused by a virus.
De verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus.

suit

/suːt/

(noun) pak, kostuum, rechtszaak;

(verb) passen, schikken, staan

Voorbeeld:

He wore a dark blue suit to the interview.
Hij droeg een donkerblauw pak naar het interview.

vehicle

/ˈviː.ə.kəl/

(noun) voertuig, rijtuig, middel

Voorbeeld:

The police stopped the vehicle for a routine check.
De politie stopte het voertuig voor een routinecontrole.

wave

/weɪv/

(noun) golf, zwaai, gebaar;

(verb) zwaaien, wenken, wapperen

Voorbeeld:

The boat was tossed by the large waves.
De boot werd heen en weer geslingerd door de grote golven.

restaurant

/ˈres.tə.rɑːnt/

(noun) restaurant

Voorbeeld:

Let's go to that new Italian restaurant tonight.
Laten we vanavond naar dat nieuwe Italiaanse restaurant gaan.

opinion

/əˈpɪn.jən/

(noun) mening, standpunt, publieke opinie

Voorbeeld:

What's your opinion on the new policy?
Wat is jouw mening over het nieuwe beleid?

statement

/ˈsteɪt.mənt/

(noun) verklaring, uitspraak, afschrift

Voorbeeld:

The witness gave a detailed statement to the police.
De getuige gaf een gedetailleerde verklaring aan de politie.

region

/ˈriː.dʒən/

(noun) regio, gebied, streek

Voorbeeld:

The Amazon region is known for its biodiversity.
Het Amazonegebied staat bekend om zijn biodiversiteit.

metal

/ˈmet̬.əl/

(noun) metaal, metal, heavy metal;

(verb) metalen, bekleden met metaal

Voorbeeld:

The sculpture was made of polished metal.
Het beeld was gemaakt van gepolijst metaal.

topic

/ˈtɑː.pɪk/

(noun) onderwerp, thema

Voorbeeld:

The main topic of discussion was climate change.
Het belangrijkste onderwerp van discussie was klimaatverandering.

king

/kɪŋ/

(noun) koning, meester;

(verb) promoveren, tot koning maken

Voorbeeld:

The king addressed his subjects from the balcony.
De koning sprak zijn onderdanen toe vanaf het balkon.

queen

/kwiːn/

(noun) koningin, dame (schaakstuk), poes;

(verb) tot koningin maken, kronen

Voorbeeld:

The Queen delivered her annual Christmas message.
De koningin hield haar jaarlijkse kersttoespraak.

salt

/sɑːlt/

(noun) zout, chemische verbinding;

(verb) zouten, pekelen

Voorbeeld:

Add a pinch of salt to the soup for flavor.
Voeg een snufje zout toe aan de soep voor de smaak.

report

/rɪˈpɔːrt/

(noun) rapport, verslag, knal;

(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan

Voorbeeld:

The police issued a report on the incident.
De politie heeft een rapport over het incident uitgebracht.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland