Vocabulaireverzameling Top 426 - 450 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 426 - 450 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schaal, omvang, schub;
(verb) beklimmen, bestijgen, schubben
Voorbeeld:
(noun) bereik, scala, gamma;
(verb) variëren, reiken, rangschikken
Voorbeeld:
(noun) schoen;
(verb) beslaan
Voorbeeld:
(noun) afstand, verte, reserve;
(verb) distantiëren, afstand nemen
Voorbeeld:
(noun) achtergrond, context, herkomst
Voorbeeld:
(noun) voorgrond, prominente positie;
(verb) benadrukken, op de voorgrond plaatsen
Voorbeeld:
(noun) geweer, pistool, wapen;
(verb) neerschieten, doodschieten, gas geven
Voorbeeld:
(noun) element, onderdeel, scheikundig element
Voorbeeld:
(noun) laag;
(verb) in lagen leggen, stapelen
Voorbeeld:
(noun) gerechtigheid, rechtvaardigheid, justitie
Voorbeeld:
(noun) expert, deskundige;
(adjective) deskundig, bekwaam
Voorbeeld:
(noun) leger, menigte, grote groep
Voorbeeld:
(noun) marine, vloot, marineblauw;
(adjective) marineblauw, donkerblauw
Voorbeeld:
(noun) luchtmacht
Voorbeeld:
(noun) hoop, verwachting;
(verb) hopen, verwachten
Voorbeeld:
(noun) spier, spierkracht, kracht;
(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen
Voorbeeld:
(noun) universum, kosmos, wereld
Voorbeeld:
(noun) hoek, straathoek, benarde situatie;
(verb) in het nauw drijven, omsingelen, de bocht nemen
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, rupsband;
(verb) volgen, traceren, monitoren
Voorbeeld:
(noun) moeite, problemen, gedoe;
(verb) storen, lastigvallen
Voorbeeld:
(noun) gedrag, werking
Voorbeeld:
(noun) veiligheid, beveiliging, bewaking
Voorbeeld:
(noun) organisatie, instelling, ordening
Voorbeeld:
(noun) wind, adem, lucht;
(verb) winden, kronkelen, opwinden
Voorbeeld:
(noun) oorzaak, reden, zaak;
(verb) veroorzaken, teweegbrengen
Voorbeeld: