Avatar of Vocabulary Set Top 426 - 450 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 426 - 450 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 426 - 450 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

range

/reɪndʒ/

(noun) bereik, scala, gamma;

(verb) variëren, reiken, rangschikken

Voorbeeld:

The price range for these cars is between $20,000 and $30,000.
De prijsklasse voor deze auto's ligt tussen $20.000 en $30.000.

shoe

/ʃuː/

(noun) schoen;

(verb) beslaan

Voorbeeld:

She bought a new pair of shoes for the party.
Ze kocht een nieuw paar schoenen voor het feest.

distance

/ˈdɪs.təns/

(noun) afstand, verte, reserve;

(verb) distantiëren, afstand nemen

Voorbeeld:

The distance from my house to the school is about two miles.
De afstand van mijn huis naar school is ongeveer twee mijl.

background

/ˈbæk.ɡraʊnd/

(noun) achtergrond, context, herkomst

Voorbeeld:

The mountains in the background added to the beauty of the landscape.
De bergen op de achtergrond droegen bij aan de schoonheid van het landschap.

foreground

/ˈfɔːr.ɡraʊnd/

(noun) voorgrond, prominente positie;

(verb) benadrukken, op de voorgrond plaatsen

Voorbeeld:

In the foreground of the painting, there's a small cottage.
Op de voorgrond van het schilderij staat een klein huisje.

gun

/ɡʌn/

(noun) geweer, pistool, wapen;

(verb) neerschieten, doodschieten, gas geven

Voorbeeld:

The police officer drew his gun.
De politieagent trok zijn geweer.

element

/ˈel.ə.mənt/

(noun) element, onderdeel, scheikundig element

Voorbeeld:

Trust is a key element in any relationship.
Vertrouwen is een belangrijk element in elke relatie.

layer

/ˈleɪ.ɚ/

(noun) laag;

(verb) in lagen leggen, stapelen

Voorbeeld:

The cake has three layers of chocolate.
De taart heeft drie lagen chocolade.

justice

/ˈdʒʌs.tɪs/

(noun) gerechtigheid, rechtvaardigheid, justitie

Voorbeeld:

The victims are seeking justice for the crimes committed.
De slachtoffers zoeken gerechtigheid voor de gepleegde misdaden.

expert

/ˈek.spɝːt/

(noun) expert, deskundige;

(adjective) deskundig, bekwaam

Voorbeeld:

She is an expert in ancient history.
Zij is een expert in oude geschiedenis.

army

/ˈɑːr.mi/

(noun) leger, menigte, grote groep

Voorbeeld:

The army was deployed to the border.
Het leger werd naar de grens gestuurd.

navy

/ˈneɪ.vi/

(noun) marine, vloot, marineblauw;

(adjective) marineblauw, donkerblauw

Voorbeeld:

She joined the Navy after graduating from college.
Ze ging bij de marine nadat ze was afgestudeerd.

air force

/ˈer fɔːrs/

(noun) luchtmacht

Voorbeeld:

My brother joined the Air Force after high school.
Mijn broer ging na de middelbare school bij de Luchtmacht.

hope

/hoʊp/

(noun) hoop, verwachting;

(verb) hopen, verwachten

Voorbeeld:

She has high hopes for her future.
Ze heeft hoge verwachtingen voor haar toekomst.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

universe

/ˈjuː.nə.vɝːs/

(noun) universum, kosmos, wereld

Voorbeeld:

The vastness of the universe is truly awe-inspiring.
De uitgestrektheid van het universum is werkelijk ontzagwekkend.

corner

/ˈkɔːr.nɚ/

(noun) hoek, straathoek, benarde situatie;

(verb) in het nauw drijven, omsingelen, de bocht nemen

Voorbeeld:

The book fell behind the corner of the desk.
Het boek viel achter de hoek van het bureau.

track

/træk/

(noun) pad, spoor, rupsband;

(verb) volgen, traceren, monitoren

Voorbeeld:

The old logging track was overgrown with weeds.
Het oude houthakkerspad was overwoekerd met onkruid.

trouble

/ˈtrʌb.əl/

(noun) moeite, problemen, gedoe;

(verb) storen, lastigvallen

Voorbeeld:

He's always getting into trouble.
Hij komt altijd in de problemen.

behavior

/bɪˈheɪ.vjɚ/

(noun) gedrag, werking

Voorbeeld:

His rude behavior offended everyone.
Zijn onbeleefde gedrag beledigde iedereen.

security

/səˈkjʊr.ə.t̬i/

(noun) veiligheid, beveiliging, bewaking

Voorbeeld:

The new alarm system provides enhanced security for the building.
Het nieuwe alarmsysteem biedt verbeterde beveiliging voor het gebouw.

organization

/ˌɔːr.ɡən.əˈzeɪ.ʃən/

(noun) organisatie, instelling, ordening

Voorbeeld:

The company is a large international organization.
Het bedrijf is een grote internationale organisatie.

wind

/wɪnd/

(noun) wind, adem, lucht;

(verb) winden, kronkelen, opwinden

Voorbeeld:

The wind blew strongly from the west.
De wind waaide krachtig uit het westen.

cause

/kɑːz/

(noun) oorzaak, reden, zaak;

(verb) veroorzaken, teweegbrengen

Voorbeeld:

The heavy rain was the cause of the flood.
De zware regen was de oorzaak van de overstroming.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland