Avatar of Vocabulary Set Top 126 - 150 Adjectives

Vocabulaireverzameling Top 126 - 150 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 126 - 150 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

incredible

/ɪnˈkred.ə.bəl/

(adjective) ongelooflijk, onwaarschijnlijk, geweldig

Voorbeeld:

The story he told was absolutely incredible.
Het verhaal dat hij vertelde was absoluut ongelooflijk.

fun

/fʌn/

(noun) plezier, pret, vermaak;

(adjective) leuk, grappig, vermakelijk

Voorbeeld:

We had a lot of fun at the party.
We hadden veel plezier op het feest.

poor

/pʊr/

(adjective) arm, behoeftig, zielig

Voorbeeld:

Many families in the city are living in poor conditions.
Veel gezinnen in de stad leven in arme omstandigheden.

famous

/ˈfeɪ.məs/

(adjective) beroemd, bekend

Voorbeeld:

She is a famous singer.
Zij is een beroemde zangeres.

former

/ˈfɔːr.mɚ/

(adjective) voormalig, oud, eerste

Voorbeeld:

The former president gave a speech.
De voormalige president hield een toespraak.

legal

/ˈliː.ɡəl/

(adjective) juridisch, wettelijk, legaal

Voorbeeld:

He sought legal advice from a lawyer.
Hij zocht juridisch advies bij een advocaat.

expensive

/ɪkˈspen.sɪv/

(adjective) duur, kostbaar

Voorbeeld:

The new car was very expensive.
De nieuwe auto was erg duur.

aware

/əˈwer/

(adjective) bewust, op de hoogte

Voorbeeld:

Are you aware of the risks involved?
Ben je bewust van de risico's?

correct

/kəˈrekt/

(adjective) correct, juist;

(verb) corrigeren, verbeteren

Voorbeeld:

Please make sure your answers are correct.
Zorg ervoor dat uw antwoorden correct zijn.

private

/ˈpraɪ.vət/

(adjective) privé, persoonlijk, privaat;

(noun) soldaat, rekruut

Voorbeeld:

This is a private beach, not open to the public.
Dit is een privéstrand, niet openbaar toegankelijk.

sweet

/swiːt/

(adjective) zoet, lief, aangenaam;

(noun) snoepje, lekkernij

Voorbeeld:

The cake was perfectly sweet.
De cake was perfect zoet.

various

/ˈver.i.əs/

(adjective) diverse, verschillende, allerlei

Voorbeeld:

There are various reasons for his decision.
Er zijn diverse redenen voor zijn beslissing.

dangerous

/ˈdeɪn.dʒɚ.əs/

(adjective) gevaarlijk

Voorbeeld:

It's dangerous to walk alone at night in this area.
Het is gevaarlijk om 's nachts alleen te lopen in dit gebied.

current

/ˈkɝː.ənt/

(adjective) huidig, actueel;

(noun) stroom, stroming, elektrische stroom

Voorbeeld:

What's your current address?
Wat is je huidige adres?

slow

/sloʊ/

(adjective) langzaam, traag, dom;

(adverb) langzaam;

(verb) vertragen, afremmen

Voorbeeld:

The car was going too slow.
De auto ging te langzaam.

strange

/streɪndʒ/

(adjective) vreemd, raar, onbekend

Voorbeeld:

It's strange that he hasn't called yet.
Het is vreemd dat hij nog niet heeft gebeld.

federal

/ˈfed.ɚ.əl/

(adjective) federaal, centraal

Voorbeeld:

The United States has a federal system of government.
De Verenigde Staten hebben een federaal regeringssysteem.

average

/ˈæv.ɚ.ɪdʒ/

(noun) gemiddelde, doorsnee;

(adjective) gemiddeld, doorsnee;

(verb) gemiddeld zijn, een gemiddelde bereiken

Voorbeeld:

The average score on the test was 75.
De gemiddelde score op de test was 75.

basic

/ˈbeɪ.sɪk/

(adjective) basis, fundamenteel, eenvoudig

Voorbeeld:

The basic principles of physics are taught in high school.
De basisprincipes van de natuurkunde worden op de middelbare school onderwezen.

multiple

/ˈmʌl.tə.pəl/

(adjective) meervoudig, meerdere;

(noun) veelvoud

Voorbeeld:

The problem has multiple solutions.
Het probleem heeft meerdere oplossingen.

successful

/səkˈses.fəl/

(adjective) succesvol, geslaagd

Voorbeeld:

She became a successful entrepreneur.
Ze werd een succesvolle ondernemer.

terrible

/ˈter.ə.bəl/

(adjective) verschrikkelijk, vreselijk, erg

Voorbeeld:

The weather was terrible, so we stayed indoors.
Het weer was verschrikkelijk, dus we bleven binnen.

key

/kiː/

(noun) sleutel, cruciaal;

(adjective) cruciaal, essentieel

Voorbeeld:

I can't find my car keys.
Ik kan mijn autosleutels niet vinden.

financial

/faɪˈnæn.ʃəl/

(adjective) financieel

Voorbeeld:

The company is facing serious financial difficulties.
Het bedrijf kampt met ernstige financiële moeilijkheden.

cheap

/tʃiːp/

(adjective) goedkoop, prullerig, gierig;

(adverb) goedkoop, voordelig

Voorbeeld:

The hotel offers cheap rooms during the off-season.
Het hotel biedt goedkope kamers aan tijdens het laagseizoen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland