Avatar of Vocabulary Set C1 - Wiskunde maakt het leven waardevoller!

Vocabulaireverzameling C1 - Wiskunde maakt het leven waardevoller! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Wiskunde maakt het leven waardevoller!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

diameter

/daɪˈæm.ə.t̬ɚ/

(noun) diameter

Voorbeeld:

The diameter of the circle is 10 centimeters.
De diameter van de cirkel is 10 centimeter.

radius

/ˈreɪ.di.əs/

(noun) straal, bereik, omtrek

Voorbeeld:

The radius of the circle is 5 cm.
De straal van de cirkel is 5 cm.

ratio

/ˈreɪ.ʃi.oʊ/

(noun) verhouding, ratio

Voorbeeld:

The ratio of boys to girls in the class is 2:1.
De verhouding van jongens tot meisjes in de klas is 2:1.

decimal

/ˈdes.ə.məl/

(adjective) decimaal;

(noun) decimaal, kommagetal

Voorbeeld:

The price is given to two decimal places.
De prijs wordt tot twee decimalen gegeven.

equation

/ɪˈkweɪ.ʒən/

(noun) vergelijking, gelijkstelling

Voorbeeld:

Solve the equation for x.
Los de vergelijking op voor x.

subtraction

/səbˈtræk.ʃən/

(noun) aftrekken, subtractie, verwijdering

Voorbeeld:

He struggled with subtraction problems in math class.
Hij worstelde met aftrekproblemen in de wiskundeles.

formula

/ˈfɔːr.mjə.lə/

(noun) formule, rekenregel, recept

Voorbeeld:

The formula for the area of a circle is πr².
De formule voor de oppervlakte van een cirkel is πr².

function

/ˈfʌŋk.ʃən/

(noun) functie, doel, bijeenkomst;

(verb) functioneren, werken

Voorbeeld:

The main function of the heart is to pump blood.
De belangrijkste functie van het hart is het pompen van bloed.

factor

/ˈfæk.tɚ/

(noun) factor, oorzaak, deler;

(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden

Voorbeeld:

Cost was a major factor in our decision.
Kosten waren een belangrijke factor in onze beslissing.

dividend

/ˈdɪv.ə.dend/

(noun) dividend, winstuitkering, deeltal

Voorbeeld:

The company announced a quarterly dividend of 50 cents per share.
Het bedrijf kondigde een kwartaaldividend van 50 cent per aandeel aan.

divisor

/dɪˈvaɪ.zɚ/

(noun) deler

Voorbeeld:

In the equation 12 ÷ 3 = 4, 3 is the divisor.
In de vergelijking 12 ÷ 3 = 4 is 3 de deler.

mathematical

/ˌmæθˈmæt̬.ɪ.kəl/

(adjective) wiskundig, precies, nauwkeurig

Voorbeeld:

She has a strong background in mathematical logic.
Ze heeft een sterke achtergrond in wiskundige logica.

minimal

/ˈmɪn.ə.məl/

(adjective) minimaal, gering, minimalistisch

Voorbeeld:

The damage to the car was minimal.
De schade aan de auto was minimaal.

numerical

/nuːˈmer.ɪ.kəl/

(adjective) numeriek, cijfermatig

Voorbeeld:

The data is presented in numerical order.
De gegevens worden in numerieke volgorde gepresenteerd.

countless

/ˈkaʊnt.ləs/

(adjective) talloos, ontelbaar

Voorbeeld:

There are countless stars in the night sky.
Er zijn talloze sterren aan de nachtelijke hemel.

endless

/ˈend.ləs/

(adjective) eindeloos, onbegrensd, onophoudelijk

Voorbeeld:

The desert stretched out before them, an endless expanse of sand.
De woestijn strekte zich voor hen uit, een eindeloze zandvlakte.

infinite

/ˈɪn.fə.nət/

(adjective) oneindig, grenzeloos;

(noun) het oneindige, oneindigheid

Voorbeeld:

The universe is vast and possibly infinite.
Het universum is uitgestrekt en mogelijk oneindig.

ordinal

/ˈɔːr.dən.əl/

(noun) rangtelwoord;

(adjective) rangtelwoordelijk

Voorbeeld:

Ordinal numbers are used to show rank.
Rangtelwoorden worden gebruikt om rang aan te geven.

bracket

/ˈbræk.ɪt/

(noun) haakje, haakjes, beugel;

(verb) tussen haakjes plaatsen, eensluiten, groeperen

Voorbeeld:

Please put the additional information in brackets.
Plaats de aanvullende informatie tussen haakjes.

segment

/ˈseɡ.mənt/

(noun) segment, deel, stuk;

(verb) segmenteren, verdelen

Voorbeeld:

The orange was divided into several segments.
De sinaasappel was verdeeld in verschillende segmenten.

solid

/ˈsɑː.lɪd/

(adjective) vast, massief, solide;

(noun) vaste stof, vaste delen;

(adverb) effen, stevig

Voorbeeld:

The ice was solid enough to walk on.
Het ijs was stevig genoeg om op te lopen.

express

/ɪkˈspres/

(verb) uiten, uitdrukken, verzenden;

(adjective) expres, snel, uitdrukkelijk;

(noun) expres, sneltrein, snelbus;

(adverb) expres, snel

Voorbeeld:

She wanted to express her gratitude.
Ze wilde haar dankbaarheid uiten.

total

/ˈtoʊ.t̬əl/

(noun) totaal, som;

(adjective) totaal, geheel, volledig;

(verb) bedragen, optellen tot

Voorbeeld:

The total cost of the trip was $500.
De totale kosten van de reis waren $500.

metric system

/ˈmet.rɪk ˌsɪs.təm/

(noun) metrieke stelsel

Voorbeeld:

Most countries use the metric system for measurements.
De meeste landen gebruiken het metrieke stelsel voor metingen.

barrel

/ˈber.əl/

(noun) vat, ton, loop;

(verb) razen, stormen

Voorbeeld:

The wine was aged in oak barrels.
De wijn werd gerijpt in eikenhouten vaten.

hectare

/ˈhek.ter/

(noun) hectare

Voorbeeld:

The farm spans over 50 hectares of land.
De boerderij beslaat meer dan 50 hectare land.

horsepower

/ˈhɔːrs.paʊ.ɚ/

(noun) paardenkracht, pk

Voorbeeld:

The car's engine produces 200 horsepower.
De motor van de auto produceert 200 pk.

mph

/ˌem.piːˈeɪtʃ/

(abbreviation) mijlen per uur

Voorbeeld:

The car was traveling at 60 mph.
De auto reed 60 mph.

pace

/peɪs/

(noun) pas, stap, tempo;

(verb) ijlen, wandelen, afmeten

Voorbeeld:

He took a few paces forward.
Hij deed een paar stappen vooruit.

pint

/paɪnt/

(noun) pint

Voorbeeld:

I'll have a pint of milk, please.
Ik wil graag een pint melk, alstublieft.

proof

/pruːf/

(noun) bewijs, proef, proefdruk;

(verb) bewijzen, waterdicht maken, beschermen;

(adjective) -dicht, -bestendig

Voorbeeld:

Do you have any proof that he was involved?
Heb je enig bewijs dat hij erbij betrokken was?

quart

/kwɔːrt/

(noun) kwart

Voorbeeld:

I bought a quart of milk from the store.
Ik kocht een kwart melk in de winkel.

score

/skɔːr/

(noun) score, puntentotaal, twintigtal;

(verb) scoren, punten maken, inkerven

Voorbeeld:

What's the final score of the game?
Wat is de eindstand van de wedstrijd?

value

/ˈvæl.juː/

(noun) waarde, belang, prijs;

(verb) waarderen, schatten, op prijs stellen

Voorbeeld:

The true value of friendship cannot be measured.
De ware waarde van vriendschap kan niet worden gemeten.

variable

/ˈver.i.ə.bəl/

(adjective) variabel, veranderlijk;

(noun) variabele

Voorbeeld:

The weather here is highly variable.
Het weer hier is zeer variabel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland