Vocabulaireverzameling B2 - Het is altijd zonnig in Californië! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Het is altijd zonnig in Californië!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) flits, bliksem, opwelling;
(verb) flitsen, schijnen, tonen;
(adjective) flitsend, plotseling
Voorbeeld:
(noun) vochtigheid, luchtvochtigheid
Voorbeeld:
(adjective) benauwd, luchtledig, muf
Voorbeeld:
(adjective) seizoensgebonden, afhankelijk van het seizoen
Voorbeeld:
(adjective) dalend, afnemend;
(noun) vallend, dalend
Voorbeeld:
(adjective) stijgend, toenemend, opkomend;
(noun) stijging, rijzen
Voorbeeld:
(adjective) veranderlijk, wisselvallig
Voorbeeld:
(adjective) wolkenloos, helder
Voorbeeld:
(adjective) zwaar, intens, diep;
(adverb) hevig, zwaar
Voorbeeld:
(adjective) regionaal
Voorbeeld:
(adjective) stabiel, vast, stevig;
(noun) stal, paardenstal;
(verb) stallen, onderbrengen
Voorbeeld:
(adjective) stabiel, vast, constant;
(verb) stabiliseren, kalmeren;
(adverb) gestaag, stabiel
Voorbeeld:
(adjective) tropisch, heet en vochtig
Voorbeeld:
(adjective) windstil, kalm
Voorbeeld:
(noun) kou, kilte, rilling;
(verb) afkoelen, verkillen, ontmoedigen;
(adjective) relaxed, kalm
Voorbeeld:
(noun) warmte, enthousiasme, genegenheid
Voorbeeld:
(noun) bevriezing;
(verb) bevriezen
Voorbeeld:
(adjective) bevroren, rijp, ijskoud
Voorbeeld:
(noun) zonneslag, hitteberoerte
Voorbeeld:
(noun) droog seizoen, droogteperiode
Voorbeeld:
(noun) zandstorm, stofstorm
Voorbeeld:
(noun) overstroming, wateroverlast;
(verb) overstromen, onder water zetten
Voorbeeld:
(noun) rijp, vorst, vorstperiode;
(verb) bevriezen, rijpen, glazuren
Voorbeeld:
(noun) moesson, moessonseizoen
Voorbeeld:
(noun) mist, nevel;
(verb) beslaan, vertroebelen, besproeien
Voorbeeld:
(noun) regenboog, scala, verscheidenheid
Voorbeeld:
(noun) tsunami, vloedgolf
Voorbeeld:
(noun) tyfoon
Voorbeeld:
(idiom) het regent pijpenstelen, het regent dat het giet
Voorbeeld:
(noun) schaduw, schim;
(verb) schaduwen, volgen
Voorbeeld: