Avatar of Vocabulary Set B2 - Het is altijd zonnig in Californië!

Vocabulaireverzameling B2 - Het is altijd zonnig in Californië! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Het is altijd zonnig in Californië!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

flash

/flæʃ/

(noun) flits, bliksem, opwelling;

(verb) flitsen, schijnen, tonen;

(adjective) flitsend, plotseling

Voorbeeld:

The lightning was just a quick flash in the sky.
De bliksem was slechts een snelle flits aan de hemel.

humidity

/hjuːˈmɪd.ə.t̬i/

(noun) vochtigheid, luchtvochtigheid

Voorbeeld:

The high humidity made the summer day feel even hotter.
De hoge vochtigheid deed de zomerdag nog heter aanvoelen.

airless

/ˈer.ləs/

(adjective) benauwd, luchtledig, muf

Voorbeeld:

The small room felt hot and airless.
De kleine kamer voelde heet en benauwd aan.

seasonal

/ˈsiː.zən.əl/

(adjective) seizoensgebonden, afhankelijk van het seizoen

Voorbeeld:

The store offers a variety of seasonal fruits and vegetables.
De winkel biedt een verscheidenheid aan seizoensgebonden groenten en fruit.

falling

/ˈfɑː.lɪŋ/

(adjective) dalend, afnemend;

(noun) vallend, dalend

Voorbeeld:

The company reported falling sales for the third quarter.
Het bedrijf rapporteerde dalende verkopen voor het derde kwartaal.

rising

/ˈraɪ.zɪŋ/

(adjective) stijgend, toenemend, opkomend;

(noun) stijging, rijzen

Voorbeeld:

The cost of living is rising steadily.
De kosten van levensonderhoud stijgen gestaag.

changeable

/ˈtʃeɪn.dʒə.bəl/

(adjective) veranderlijk, wisselvallig

Voorbeeld:

The weather in the mountains is very changeable.
Het weer in de bergen is erg veranderlijk.

cloudless

/ˈklaʊd.ləs/

(adjective) wolkenloos, helder

Voorbeeld:

We enjoyed a beautiful cloudless sky on our hike.
We genoten van een prachtige wolkenloze hemel tijdens onze wandeling.

heavy

/ˈhev.i/

(adjective) zwaar, intens, diep;

(adverb) hevig, zwaar

Voorbeeld:

The box was too heavy for him to lift alone.
De doos was te zwaar voor hem om alleen op te tillen.

regional

/ˈriː.dʒən.əl/

(adjective) regionaal

Voorbeeld:

The company is expanding its regional offices.
Het bedrijf breidt zijn regionale kantoren uit.

stable

/ˈsteɪ.bəl/

(adjective) stabiel, vast, stevig;

(noun) stal, paardenstal;

(verb) stallen, onderbrengen

Voorbeeld:

The country's economy is now stable.
De economie van het land is nu stabiel.

steady

/ˈsted.i/

(adjective) stabiel, vast, constant;

(verb) stabiliseren, kalmeren;

(adverb) gestaag, stabiel

Voorbeeld:

Make sure the ladder is steady before you climb it.
Zorg ervoor dat de ladder stabiel is voordat je erop klimt.

tropical

/ˈtrɑː.pɪ.kəl/

(adjective) tropisch, heet en vochtig

Voorbeeld:

Brazil has a largely tropical climate.
Brazilië heeft grotendeels een tropisch klimaat.

windless

/ˈwɪnd.ləs/

(adjective) windstil, kalm

Voorbeeld:

The sea was perfectly still and windless.
De zee was volkomen stil en windstil.

chill

/tʃɪl/

(noun) kou, kilte, rilling;

(verb) afkoelen, verkillen, ontmoedigen;

(adjective) relaxed, kalm

Voorbeeld:

There's a chill in the air tonight.
Er is een kou in de lucht vanavond.

warmth

/wɔːrmθ/

(noun) warmte, enthousiasme, genegenheid

Voorbeeld:

She felt the warmth of the sun on her face.
Ze voelde de warmte van de zon op haar gezicht.

frostbite

/ˈfrɑːst.baɪt/

(noun) bevriezing;

(verb) bevriezen

Voorbeeld:

Hikers must be careful to prevent frostbite in cold weather.
Wandelaars moeten voorzichtig zijn om bevriezing te voorkomen bij koud weer.

frosty

/ˈfrɑː.sti/

(adjective) bevroren, rijp, ijskoud

Voorbeeld:

The windows were frosty this morning.
De ramen waren vanochtend bevroren.

heatstroke

/ˈhiːt.stroʊk/

(noun) zonneslag, hitteberoerte

Voorbeeld:

The hiker suffered from heatstroke after walking for hours in the desert.
De wandelaar leed aan een zonneslag na urenlang wandelen in de woestijn.

dry season

/ˈdraɪ ˌsiː.zən/

(noun) droog seizoen, droogteperiode

Voorbeeld:

The crops suffered during the long dry season.
De gewassen leden onder het lange droge seizoen.

dust storm

/ˈdʌst stɔːrm/

(noun) zandstorm, stofstorm

Voorbeeld:

The sudden dust storm reduced visibility to almost zero.
De plotselinge zandstorm verminderde het zicht tot bijna nul.

flooding

/ˈflʌd.ɪŋ/

(noun) overstroming, wateroverlast;

(verb) overstromen, onder water zetten

Voorbeeld:

The heavy rains caused widespread flooding in the region.
De zware regenval veroorzaakte wijdverspreide overstromingen in de regio.

frost

/frɑːst/

(noun) rijp, vorst, vorstperiode;

(verb) bevriezen, rijpen, glazuren

Voorbeeld:

The car windshield was covered in a thick layer of frost.
De autoruit was bedekt met een dikke laag rijp.

monsoon

/mɑːnˈsuːn/

(noun) moesson, moessonseizoen

Voorbeeld:

The monsoon season brings heavy rains to the region.
Het moessonseizoen brengt zware regenval naar de regio.

mist

/mɪst/

(noun) mist, nevel;

(verb) beslaan, vertroebelen, besproeien

Voorbeeld:

The morning mist slowly lifted, revealing the valley below.
De ochtendmist trok langzaam op, waardoor de vallei zichtbaar werd.

rainbow

/ˈreɪn.boʊ/

(noun) regenboog, scala, verscheidenheid

Voorbeeld:

After the storm, a beautiful rainbow appeared in the sky.
Na de storm verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.

tsunami

/tsuːˈnɑː.mi/

(noun) tsunami, vloedgolf

Voorbeeld:

The coastal town was devastated by a powerful tsunami.
De kustplaats werd verwoest door een krachtige tsunami.

typhoon

/taɪˈfuːn/

(noun) tyfoon

Voorbeeld:

The island was hit by a devastating typhoon.
Het eiland werd getroffen door een verwoestende tyfoon.

It's raining cats and dogs

/ɪts ˌreɪnɪŋ ˌkæts ənd ˈdɔɡz/

(idiom) het regent pijpenstelen, het regent dat het giet

Voorbeeld:

I can't go out now, it's raining cats and dogs!
Ik kan nu niet naar buiten, het regent pijpenstelen!

shadow

/ˈʃæd.oʊ/

(noun) schaduw, schim;

(verb) schaduwen, volgen

Voorbeeld:

The tree cast a long shadow on the grass.
De boom wierp een lange schaduw op het gras.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland