Avatar of Vocabulary Set B1 - Transport

Vocabulaireverzameling B1 - Transport in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Transport' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

transportation

/ˌtræn.spɚˈteɪ.ʃən/

(noun) vervoer, transport

Voorbeeld:

Public transportation is essential for city residents.
Openbaar vervoer is essentieel voor stadsbewoners.

vehicle

/ˈviː.ə.kəl/

(noun) voertuig, rijtuig, middel

Voorbeeld:

The police stopped the vehicle for a routine check.
De politie stopte het voertuig voor een routinecontrole.

van

/væn/

(noun) bestelwagen, busje, voorhoede

Voorbeeld:

The delivery driver loaded the boxes into the van.
De bezorger laadde de dozen in de bestelwagen.

limousine

/ˌlɪm.əˈziːn/

(noun) limousine

Voorbeeld:

They arrived at the event in a sleek black limousine.
Ze arriveerden op het evenement in een gestroomlijnde zwarte limousine.

yacht

/jɑːt/

(noun) jacht;

(verb) jachten, zeilen met een jacht

Voorbeeld:

They sailed their new yacht across the Mediterranean.
Ze zeilden met hun nieuwe jacht over de Middellandse Zee.

aircraft

/ˈer.kræft/

(noun) vliegtuig, luchtvaartuig

Voorbeeld:

The aircraft landed safely on the runway.
Het vliegtuig landde veilig op de landingsbaan.

plane

/pleɪn/

(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;

(verb) schaven, vlak maken

Voorbeeld:

The points all lie on the same plane.
De punten liggen allemaal op hetzelfde vlak.

jet

/dʒet/

(noun) straal, spuit, jet;

(verb) vliegen met een jet, snel vertrekken, spuiten;

(adjective) gitzwart, diepzwart

Voorbeeld:

A powerful jet of water erupted from the hose.
Een krachtige straal water spoot uit de slang.

track

/træk/

(noun) pad, spoor, rupsband;

(verb) volgen, traceren, monitoren

Voorbeeld:

The old logging track was overgrown with weeds.
Het oude houthakkerspad was overwoekerd met onkruid.

tunnel

/ˈtʌn.əl/

(noun) tunnel;

(verb) tunnelen, graven

Voorbeeld:

The train passed through a long tunnel.
De trein reed door een lange tunnel.

destination

/ˌdes.təˈneɪ.ʃən/

(noun) bestemming

Voorbeeld:

Our final destination is Paris.
Onze eindbestemming is Parijs.

harbor

/ˈhɑːr.bɚ/

(noun) haven, toevluchtsoord, schuilplaats;

(verb) koesteren, herbergen, onderdak bieden aan

Voorbeeld:

The ships returned to harbor after the storm.
De schepen keerden na de storm terug naar de haven.

port

/pɔːrt/

(noun) haven, port, portwijn;

(verb) dragen, vervoeren, naar bakboord draaien

Voorbeeld:

The ship arrived at the port early in the morning.
Het schip arriveerde vroeg in de ochtend in de haven.

airfare

/ˈer.fer/

(noun) vliegticketprijs, vliegtarief

Voorbeeld:

The airfare to London was surprisingly cheap.
De vliegticketprijs naar Londen was verrassend goedkoop.

seat belt

/ˈsiːt belt/

(noun) veiligheidsgordel, autoband

Voorbeeld:

Always fasten your seat belt before driving.
Maak altijd je veiligheidsgordel vast voordat je gaat rijden.

board

/bɔːrd/

(noun) plank, bord, raad;

(verb) instappen, aan boord gaan, huisvesten

Voorbeeld:

He nailed the loose board back into place.
Hij spijkerde het losse bord weer op zijn plaats.

access

/ˈæk.ses/

(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;

(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden

Voorbeeld:

The only access to the building was through a back alley.
De enige toegang tot het gebouw was via een achtersteeg.

get in

/ɡet ɪn/

(phrasal verb) aankomen, binnenkomen, gekozen worden

Voorbeeld:

What time did you get in last night?
Hoe laat ben je gisteravond binnengekomen?

set out

/set aʊt/

(phrasal verb) vertrekken, op weg gaan, uitstallen

Voorbeeld:

They set out early in the morning to avoid traffic.
Ze vertrokken vroeg in de ochtend om de files te vermijden.

set off

/set ˈɔːf/

(phrasal verb) vertrekken, op weg gaan, veroorzaken

Voorbeeld:

We decided to set off early to avoid traffic.
We besloten vroeg te vertrekken om files te vermijden.

reach

/riːtʃ/

(verb) reiken, bereiken, aankomen;

(noun) bereik, reikwijdte, toegang

Voorbeeld:

He reached for the book on the top shelf.
Hij reikte naar het boek op de bovenste plank.

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

on board

/ɑːn bɔːrd/

(adverb) aan boord, erbij, meedoen

Voorbeeld:

All passengers are now on board the flight.
Alle passagiers zijn nu aan boord van de vlucht.

first class

/ˌfɜːrst ˈklæs/

(noun) eerste klas, cum laude;

(adjective) eersteklas, uitstekend;

(adverb) eerste klas

Voorbeeld:

They traveled first class on their honeymoon.
Ze reisden eerste klas op hun huwelijksreis.

business class

/ˈbɪz.nɪs ˌklæs/

(noun) businessclass, zakenklasse

Voorbeeld:

I always try to fly business class for long international flights.
Ik probeer altijd businessclass te vliegen voor lange internationale vluchten.

economy class

/ɪˈkɑː.nə.mi ˌklæs/

(noun) economy class, toeristenklasse

Voorbeeld:

I always fly economy class to save money.
Ik vlieg altijd economy class om geld te besparen.

connection

/kəˈnek.ʃən/

(noun) verband, connectie, aansluiting

Voorbeeld:

There's a strong connection between diet and health.
Er is een sterk verband tussen dieet en gezondheid.

domestic

/dəˈmes.tɪk/

(adjective) huiselijk, huishoudelijk, binnenlands;

(noun) huishoudster, dienstbode

Voorbeeld:

She is responsible for all domestic chores.
Zij is verantwoordelijk voor alle huishoudelijke taken.

public

/ˈpʌb.lɪk/

(adjective) openbaar, publiek;

(noun) het publiek, de gemeenschap

Voorbeeld:

The library is open to the public.
De bibliotheek is open voor het publiek.

window seat

/ˈwɪn.doʊ ˌsiːt/

(noun) raamplaats, vensterbank, raambank

Voorbeeld:

I prefer a window seat when I travel by plane.
Ik geef de voorkeur aan een raamplaats als ik met het vliegtuig reis.

commute

/kəˈmjuːt/

(verb) forenzen, pendelen, omzetten;

(noun) woon-werkverkeer, forenzenreis

Voorbeeld:

He has to commute an hour to work every day.
Hij moet elke dag een uur forenzen naar zijn werk.

nonstop

/ˌnɑːnˈstɑːp/

(adverb) non-stop, ononderbroken;

(adjective) non-stop, ononderbroken

Voorbeeld:

The train traveled nonstop for five hours.
De trein reed vijf uur non-stop.

transport

/ˈtræn.spɔːrt/

(verb) vervoeren, transporteren, overweldigen;

(noun) vervoer, transportmiddel, vervoering

Voorbeeld:

The company uses trucks to transport goods across the country.
Het bedrijf gebruikt vrachtwagens om goederen door het hele land te vervoeren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland