Avatar of Vocabulary Set B1 - Computer

Vocabulaireverzameling B1 - Computer in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Computer' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

access

/ˈæk.ses/

(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;

(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden

Voorbeeld:

The only access to the building was through a back alley.
De enige toegang tot het gebouw was via een achtersteeg.

error

/ˈer.ɚ/

(noun) fout, vergissing, dwaling

Voorbeeld:

There was an error in the calculation.
Er zat een fout in de berekening.

key

/kiː/

(noun) sleutel, cruciaal;

(adjective) cruciaal, essentieel

Voorbeeld:

I can't find my car keys.
Ik kan mijn autosleutels niet vinden.

log out

/lɔɡ ˈaʊt/

(phrasal verb) uitloggen

Voorbeeld:

Remember to log out of your account when you're done.
Vergeet niet om uit te loggen van je account als je klaar bent.

program

/ˈproʊ.ɡræm/

(noun) programma, schema, uitzending;

(verb) programmeren, instellen, plannen

Voorbeeld:

I wrote a simple program to calculate my expenses.
Ik schreef een eenvoudig programma om mijn uitgaven te berekenen.

application

/ˌæp.ləˈkeɪ.ʃən/

(noun) aanvraag, sollicitatie, toepassing

Voorbeeld:

I submitted my application for the new job.
Ik heb mijn aanvraag voor de nieuwe baan ingediend.

software

/ˈsɑːft.wer/

(noun) software, programmatuur

Voorbeeld:

This computer needs new software to run the latest applications.
Deze computer heeft nieuwe software nodig om de nieuwste applicaties te draaien.

operating system

/ˈɑː.pə.reɪ.t̬ɪŋ ˌsɪs.təm/

(noun) besturingssysteem

Voorbeeld:

Windows is a popular operating system for personal computers.
Windows is een populair besturingssysteem voor personal computers.

install

/ɪnˈstɑːl/

(verb) installeren, plaatsen, aanstellen

Voorbeeld:

We need to install the new washing machine today.
We moeten vandaag de nieuwe wasmachine installeren.

hardware

/ˈhɑːrd.wer/

(noun) gereedschap, ijzerwaren, hardware

Voorbeeld:

We need to buy some new hardware for the kitchen cabinets.
We moeten nieuw gereedschap kopen voor de keukenkastjes.

Wifi

/ˈwaɪ.faɪ/

(noun) wifi, draadloos internet

Voorbeeld:

Is there free Wi-Fi available here?
Is er hier gratis wifi beschikbaar?

quit

/kwɪt/

(verb) opzeggen, verlaten, stoppen met;

(noun) vertrek, opzegging

Voorbeeld:

She decided to quit her job and travel the world.
Ze besloot haar baan op te zeggen en de wereld rond te reizen.

system

/ˈsɪs.təm/

(noun) systeem, methode, stelsel

Voorbeeld:

The new filing system improved efficiency.
Het nieuwe archiveringssysteem verbeterde de efficiëntie.

click

/klɪk/

(noun) klik;

(verb) klikken, duidelijk worden

Voorbeeld:

I heard a click as the door locked.
Ik hoorde een klik toen de deur op slot ging.

button

/ˈbʌt̬.ən/

(noun) knoop, knop;

(verb) knopen, dichtknopen, op een knop drukken

Voorbeeld:

She sewed a new button on her coat.
Ze naaide een nieuwe knoop op haar jas.

type

/taɪp/

(noun) type, soort, lettertype;

(verb) typen, intypen

Voorbeeld:

What type of music do you like?
Welk type muziek vind je leuk?

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

wireless

/ˈwaɪr.ləs/

(adjective) draadloos;

(noun) draadloos, draadloze verbinding

Voorbeeld:

I connected my laptop to the wireless network.
Ik heb mijn laptop verbonden met het draadloze netwerk.

connect

/kəˈnekt/

(verb) verbinden, aansluiten, verbinding maken

Voorbeeld:

Can you connect these two wires?
Kun je deze twee draden verbinden?

connection

/kəˈnek.ʃən/

(noun) verband, connectie, aansluiting

Voorbeeld:

There's a strong connection between diet and health.
Er is een sterk verband tussen dieet en gezondheid.

data

/ˈdeɪ.t̬ə/

(noun) gegevens, data

Voorbeeld:

The company collects customer data to improve its services.
Het bedrijf verzamelt klantengegevens om zijn diensten te verbeteren.

folder

/ˈfoʊl.dɚ/

(noun) map, ordner, directory

Voorbeeld:

Please put all the documents in the blue folder.
Leg alle documenten alstublieft in de blauwe map.

delete

/dɪˈliːt/

(verb) verwijderen, wissen, schrappen

Voorbeeld:

Please delete the old files to free up space.
Gelieve de oude bestanden te verwijderen om ruimte vrij te maken.

drag

/dræɡ/

(verb) slepen, trekken, voortslepen;

(noun) sleep, weerstand, drag

Voorbeeld:

She had to drag the heavy suitcase up the stairs.
Ze moest de zware koffer de trap op slepen.

scroll

/skroʊl/

(noun) rol, perkament;

(verb) scrollen, doorbladeren

Voorbeeld:

The ancient text was preserved on a delicate scroll.
De oude tekst werd bewaard op een delicate rol.

back up

/bæk ˈʌp/

(phrasal verb) back-uppen, een back-up maken, ondersteunen

Voorbeeld:

You should always back up your important files.
Je moet altijd een back-up maken van je belangrijke bestanden.

desktop

/ˈdesk.tɑːp/

(noun) bureaublad, desktopcomputer, desktop

Voorbeeld:

He cleared his desktop before starting work.
Hij ruimde zijn bureaublad op voordat hij begon met werken.

version

/ˈvɝː.ʒən/

(noun) versie, uitvoering, lezing

Voorbeeld:

This is the latest version of the software.
Dit is de nieuwste versie van de software.

virus

/ˈvaɪ.rəs/

(noun) virus, computervirus

Voorbeeld:

The common cold is caused by a virus.
De verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland