Avatar of Vocabulary Set A2 - Natuur en natuurrampen

Vocabulaireverzameling A2 - Natuur en natuurrampen in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Natuur en natuurrampen' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

world

/wɝːld/

(noun) wereld, gebied

Voorbeeld:

The world is a beautiful place.
De wereld is een prachtige plek.

environment

/ɪnˈvaɪ.rə.mənt/

(noun) omgeving, milieu, natuur

Voorbeeld:

The polar bear's natural environment is the Arctic.
De natuurlijke omgeving van de ijsbeer is het Noordpoolgebied.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

ground

/ɡraʊnd/

(noun) grond, aarde, veld;

(verb) aan de grond houden, vliegverbod opleggen, binnen houden;

(adjective) nuchter, realistisch, geaard

Voorbeeld:

He fell to the ground.
Hij viel op de grond.

field

/fiːld/

(noun) veld, akker, gebied;

(verb) beantwoorden, afhandelen

Voorbeeld:

The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.

landscape

/ˈlænd.skeɪp/

(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;

(verb) landschappen, aanleggen

Voorbeeld:

The rolling hills and green valleys formed a beautiful landscape.
De glooiende heuvels en groene valleien vormden een prachtig landschap.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.

grass

/ɡræs/

(noun) gras, wiet, marihuana;

(verb) verlinken, klikken

Voorbeeld:

The sheep were grazing on the fresh grass.
De schapen graasden op het verse gras.

coast

/koʊst/

(noun) kust, oever;

(verb) uitrollen, glijden, gemakkelijk afhandelen

Voorbeeld:

We spent our vacation on the beautiful coast of California.
We brachten onze vakantie door aan de prachtige kust van Californië.

hill

/hɪl/

(noun) heuvel, helling, stijging;

(verb) ophopen, heuvelen

Voorbeeld:

We climbed the hill to get a better view.
We beklommen de heuvel om een beter uitzicht te krijgen.

rock

/rɑːk/

(noun) rots, steen, rock;

(verb) wiegen, schommelen, schokken

Voorbeeld:

The mountain was made of solid rock.
De berg was gemaakt van massief rots.

valley

/ˈvæl.i/

(noun) vallei, dal

Voorbeeld:

The village is nestled in a beautiful green valley.
Het dorp ligt verscholen in een prachtige groene vallei.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

ocean

/ˈoʊ.ʃən/

(noun) oceaan, enorme hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast ocean.
Het schip zeilde over de uitgestrekte oceaan.

rainforest

/ˈreɪn.fɔːr.ɪst/

(noun) regenwoud

Voorbeeld:

The Amazon rainforest is home to millions of species.
Het Amazone regenwoud is de thuisbasis van miljoenen soorten.

wood

/wʊd/

(noun) hout, bos, woud

Voorbeeld:

The house was built of stone and wood.
Het huis was gebouwd van steen en hout.

area

/ˈer.i.ə/

(noun) gebied, streek, oppervlakte

Voorbeeld:

The city has a large industrial area.
De stad heeft een groot industrieel gebied.

path

/pæθ/

(noun) pad, weg, koers;

(verb) een pad banen, een weg creëren

Voorbeeld:

We followed the narrow path through the woods.
We volgden het smalle pad door het bos.

natural

/ˈnætʃ.ɚ.əl/

(adjective) natuurlijk, normaal, vanzelfsprekend;

(noun) natuurlijk talent, geboren talent

Voorbeeld:

The Grand Canyon is a stunning natural wonder.
De Grand Canyon is een adembenemend natuurlijk wonder.

disaster

/dɪˈzæs.tɚ/

(noun) ramp, catastrofe, mislukking

Voorbeeld:

The earthquake was a natural disaster that devastated the region.
De aardbeving was een natuurlijke ramp die de regio verwoestte.

flood

/flʌd/

(noun) overstroming, vloed, stroom;

(verb) overstromen, onder water zetten, overspoelen

Voorbeeld:

The heavy rains caused a severe flood in the region.
De zware regenval veroorzaakte een ernstige overstroming in de regio.

earthquake

/ˈɝːθ.kweɪk/

(noun) aardbeving

Voorbeeld:

The city was devastated by a powerful earthquake.
De stad werd verwoest door een krachtige aardbeving.

hurricane

/ˈhɝː.ɪ.keɪn/

(noun) orkaan

Voorbeeld:

The hurricane caused widespread destruction along the coast.
De orkaan veroorzaakte wijdverspreide verwoesting langs de kust.

tornado

/tɔːrˈneɪ.doʊ/

(noun) tornado, wervelwind

Voorbeeld:

The tornado ripped through the town, causing widespread destruction.
De tornado raasde door de stad en veroorzaakte wijdverspreide vernietiging.

famine

/ˈfæm.ɪn/

(noun) hongersnood, voedselschaarste

Voorbeeld:

The country is facing a severe famine after years of drought.
Het land wordt geconfronteerd met een ernstige hongersnood na jaren van droogte.

avalanche

/ˈæv.əl.æntʃ/

(noun) lawine, overweldigende hoeveelheid;

(verb) lawineren, neerstorten

Voorbeeld:

The skiers were caught in a sudden avalanche.
De skiërs werden verrast door een plotselinge lawine.

drought

/draʊt/

(noun) droogte, tekort, gebrek

Voorbeeld:

The region is experiencing a severe drought.
De regio ervaart een ernstige droogte.

climate change

/ˈklaɪ.mət ˌtʃeɪndʒ/

(noun) klimaatverandering

Voorbeeld:

The scientific consensus is that human activities are the primary driver of recent climate change.
De wetenschappelijke consensus is dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn van de recente klimaatverandering.

happen

/ˈhæp.ən/

(verb) gebeuren, plaatsvinden, toevallig vinden

Voorbeeld:

The accident happened yesterday.
Het ongeluk gebeurde gisteren.

terrible

/ˈter.ə.bəl/

(adjective) verschrikkelijk, vreselijk, erg

Voorbeeld:

The weather was terrible, so we stayed indoors.
Het weer was verschrikkelijk, dus we bleven binnen.

northeast

/ˌnɔːrθˈiːst/

(noun) noordoost;

(adjective) noordoostelijk;

(adverb) noordoostwaarts

Voorbeeld:

The wind is blowing from the northeast.
De wind waait uit het noordoosten.

northwest

/ˌnɔːrθˈwest/

(noun) noordwesten;

(adjective) noordwestelijk;

(adverb) noordwestwaarts

Voorbeeld:

The wind is blowing from the northwest.
De wind waait uit het noordwesten.

southeast

/ˌsaʊθˈiːst/

(noun) zuidoost, zuidoosten;

(adjective) zuidoostelijk;

(adverb) zuidoostwaarts

Voorbeeld:

The wind is blowing from the southeast.
De wind waait uit het zuidoosten.

southwest

/ˌsaʊθˈwest/

(noun) zuidwesten;

(adjective) zuidwestelijk;

(adverb) zuidwestwaarts

Voorbeeld:

The wind is blowing from the southwest.
De wind waait uit het zuidwesten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland