Vocabulaireverzameling A2 - Natuur en natuurrampen in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Natuur en natuurrampen' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) wereld, gebied
Voorbeeld:
(noun) omgeving, milieu, natuur
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(noun) grond, aarde, veld;
(verb) aan de grond houden, vliegverbod opleggen, binnen houden;
(adjective) nuchter, realistisch, geaard
Voorbeeld:
(noun) veld, akker, gebied;
(verb) beantwoorden, afhandelen
Voorbeeld:
(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;
(verb) landschappen, aanleggen
Voorbeeld:
(noun) uitzicht, zicht, mening;
(verb) bekijken, zien, beschouwen
Voorbeeld:
(noun) gras, wiet, marihuana;
(verb) verlinken, klikken
Voorbeeld:
(noun) kust, oever;
(verb) uitrollen, glijden, gemakkelijk afhandelen
Voorbeeld:
(noun) heuvel, helling, stijging;
(verb) ophopen, heuvelen
Voorbeeld:
(noun) rots, steen, rock;
(verb) wiegen, schommelen, schokken
Voorbeeld:
(noun) vallei, dal
Voorbeeld:
(noun) oceaan, enorme hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) regenwoud
Voorbeeld:
(noun) hout, bos, woud
Voorbeeld:
(noun) gebied, streek, oppervlakte
Voorbeeld:
(noun) pad, weg, koers;
(verb) een pad banen, een weg creëren
Voorbeeld:
(adjective) natuurlijk, normaal, vanzelfsprekend;
(noun) natuurlijk talent, geboren talent
Voorbeeld:
(noun) ramp, catastrofe, mislukking
Voorbeeld:
(noun) overstroming, vloed, stroom;
(verb) overstromen, onder water zetten, overspoelen
Voorbeeld:
(noun) aardbeving
Voorbeeld:
(noun) orkaan
Voorbeeld:
(noun) tornado, wervelwind
Voorbeeld:
(noun) hongersnood, voedselschaarste
Voorbeeld:
(noun) lawine, overweldigende hoeveelheid;
(verb) lawineren, neerstorten
Voorbeeld:
(noun) droogte, tekort, gebrek
Voorbeeld:
(noun) klimaatverandering
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, toevallig vinden
Voorbeeld:
(adjective) verschrikkelijk, vreselijk, erg
Voorbeeld:
(noun) noordoost;
(adjective) noordoostelijk;
(adverb) noordoostwaarts
Voorbeeld:
(noun) noordwesten;
(adjective) noordwestelijk;
(adverb) noordwestwaarts
Voorbeeld:
(noun) zuidoost, zuidoosten;
(adjective) zuidoostelijk;
(adverb) zuidoostwaarts
Voorbeeld:
(noun) zuidwesten;
(adjective) zuidwestelijk;
(adverb) zuidwestwaarts
Voorbeeld: