Avatar of Vocabulary Set A2 - Thuis

Vocabulaireverzameling A2 - Thuis in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Thuis' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

hall

/hɑːl/

(noun) hal, gang, zaal

Voorbeeld:

She waited for him in the hall.
Ze wachtte op hem in de hal.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

stair

/ster/

(noun) trap, trede

Voorbeeld:

She slowly climbed the stairs to her apartment.
Ze klom langzaam de trap op naar haar appartement.

entrance

/ˈen.trəns/

(noun) ingang, toegang, entree;

(verb) betoveren, fascineren

Voorbeeld:

The main entrance to the building is on the north side.
De hoofdingang van het gebouw bevindt zich aan de noordzijde.

gate

/ɡeɪt/

(noun) hek, poort, gate;

(verb) gaten, regelen

Voorbeeld:

Please close the gate behind you.
Sluit alstublieft het hek achter u.

emergency exit

/ɪˈmɜːr.dʒən.si ˈek.sɪt/

(noun) nooduitgang

Voorbeeld:

In case of fire, please use the nearest emergency exit.
In geval van brand, gebruik alstublieft de dichtstbijzijnde nooduitgang.

fence

/fens/

(noun) hek, omheining, heler;

(verb) omheinen, afzetten, schermen

Voorbeeld:

The farmer built a new fence around his pasture.
De boer bouwde een nieuw hek rond zijn weide.

light

/laɪt/

(noun) licht, lamp, lichtbron;

(verb) aansteken, verlichten;

(adjective) licht

Voorbeeld:

The room was filled with natural light.
De kamer was gevuld met natuurlijk licht.

utility

/juːˈtɪl.ə.t̬i/

(noun) bruikbaarheid, nut, nutsvoorzieningen;

(adjective) functioneel, praktisch

Voorbeeld:

The utility of this tool is evident in its versatility.
De bruikbaarheid van dit gereedschap blijkt uit zijn veelzijdigheid.

electricity

/ɪˌlekˈtrɪs.ə.t̬i/

(noun) elektriciteit, stroom

Voorbeeld:

The house runs on solar electricity.
Het huis draait op zonne-elektriciteit.

gas

/ɡæs/

(noun) gas, benzine, brandstof;

(verb) gas geven, tanken

Voorbeeld:

Natural gas is used for heating homes.
Aardgas wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen.

heating

/ˈhiː.t̬ɪŋ/

(noun) verwarming;

(verb) verwarmen, opwarmen

Voorbeeld:

The central heating system needs to be repaired.
Het centrale verwarmingssysteem moet gerepareerd worden.

cable

/ˈkeɪ.bəl/

(noun) kabel, touw, draad;

(verb) kabelen, telegraferen

Voorbeeld:

The bridge is supported by strong steel cables.
De brug wordt ondersteund door sterke stalen kabels.

mailbox

/ˈmeɪl.bɑːks/

(noun) brievenbus, postbus, inbox

Voorbeeld:

I checked my mailbox for letters.
Ik controleerde mijn brievenbus op brieven.

landlord

/ˈlænd.lɔːrd/

(noun) verhuurder, huisbaas, kastelein

Voorbeeld:

Our landlord increased the rent by 10%.
Onze verhuurder verhoogde de huur met 10%.

tenant

/ˈten.ənt/

(noun) huurder, bewoner

Voorbeeld:

The tenant signed a one-year lease agreement.
De huurder tekende een huurovereenkomst voor één jaar.

lease

/liːs/

(noun) huurovereenkomst, pacht;

(verb) verhuren, leasen

Voorbeeld:

We signed a three-year lease for the apartment.
We tekenden een driejarige huurovereenkomst voor het appartement.

rent

/rent/

(noun) huur;

(verb) huren, verhuren

Voorbeeld:

The rent is due on the first of every month.
De huur is verschuldigd op de eerste van elke maand.

cozy

/ˈkoʊ.zi/

(adjective) gezellig, knus, behaaglijk

Voorbeeld:

The small cabin was very cozy, perfect for a winter retreat.
De kleine hut was erg gezellig, perfect voor een winteruitje.

neighborhood

/ˈneɪ.bɚ.hʊd/

(noun) buurt, wijk, omgeving

Voorbeeld:

She grew up in a quiet neighborhood.
Ze groeide op in een rustige buurt.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

move

/muːv/

(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;

(noun) beweging, zet, verhuizing

Voorbeeld:

The car began to move slowly down the street.
De auto begon langzaam de straat af te bewegen.

move in

/muːv ɪn/

(phrasal verb) intrekken, verhuizen naar, naderen

Voorbeeld:

We're excited to move in to our new home next month.
We zijn enthousiast om volgende maand in te trekken in ons nieuwe huis.

move out

/muːv aʊt/

(phrasal verb) verhuizen, uit huis gaan, wijken

Voorbeeld:

I'm planning to move out of my apartment next month.
Ik ben van plan volgende maand mijn appartement te verlaten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland