Avatar of Vocabulary Set A2 - Gezondheid en Ziekte 1

Vocabulaireverzameling A2 - Gezondheid en Ziekte 1 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Gezondheid en Ziekte 1' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

health

/helθ/

(noun) gezondheid, gezondheidstoestand, conditie

Voorbeeld:

Good health is essential for a happy life.
Een goede gezondheid is essentieel voor een gelukkig leven.

life

/laɪf/

(noun) leven, bestaan, levensduur

Voorbeeld:

Water is essential for life.
Water is essentieel voor leven.

death

/deθ/

(noun) dood, overlijden, einde

Voorbeeld:

The cause of death was a heart attack.
De oorzaak van overlijden was een hartaanval.

diet

/ˈdaɪ.ət/

(noun) dieet, voeding, kuur;

(verb) diëten, op dieet zijn

Voorbeeld:

A healthy diet includes plenty of fruits and vegetables.
Een gezond dieet omvat veel fruit en groenten.

energy

/ˈen.ɚ.dʒi/

(noun) energie, levenskracht

Voorbeeld:

She has a lot of energy for her age.
Ze heeft veel energie voor haar leeftijd.

habit

/ˈhæb.ɪt/

(noun) gewoonte, gebruik, habijt;

(verb) kleden, aankleden

Voorbeeld:

Smoking is a bad habit.
Roken is een slechte gewoonte.

illness

/ˈɪl.nəs/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

She is recovering from a long illness.
Ze herstelt van een lange ziekte.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

ache

/eɪk/

(noun) pijn, verdriet, verlangen;

(verb) pijn doen, zeuren, verlangen

Voorbeeld:

I have a dull ache in my lower back.
Ik heb een doffe pijn in mijn onderrug.

earache

/ˈɪr.eɪk/

(noun) oorpijn

Voorbeeld:

She complained of a severe earache.
Ze klaagde over een hevige oorpijn.

headache

/ˈhed.eɪk/

(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost

Voorbeeld:

I woke up with a terrible headache this morning.
Ik werd vanmorgen wakker met een vreselijke hoofdpijn.

stomach ache

/ˈstʌm.ək eɪk/

(noun) buikpijn, maagpijn

Voorbeeld:

I ate too much and now I have a stomach ache.
Ik heb te veel gegeten en nu heb ik buikpijn.

backache

/ˈbæk.eɪk/

(noun) rugpijn

Voorbeeld:

She often suffers from a severe backache after long hours of sitting.
Ze heeft vaak last van ernstige rugpijn na lange uren zitten.

toothache

/ˈtuːθ.eɪk/

(noun) tandpijn

Voorbeeld:

I have a terrible toothache and need to see a dentist.
Ik heb vreselijke tandpijn en moet naar de tandarts.

flu

/fluː/

(noun) griep

Voorbeeld:

I've got the flu and feel terrible.
Ik heb de griep en voel me verschrikkelijk.

virus

/ˈvaɪ.rəs/

(noun) virus, computervirus

Voorbeeld:

The common cold is caused by a virus.
De verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus.

effect

/əˈfekt/

(noun) effect, gevolg, indruk;

(verb) teweegbrengen, uitvoeren

Voorbeeld:

The new policy had a positive effect on the economy.
Het nieuwe beleid had een positief effect op de economie.

problem

/ˈprɑː.bləm/

(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid

Voorbeeld:

We have a serious problem to solve.
We hebben een serieus probleem op te lossen.

fever

/ˈfiː.vɚ/

(noun) koorts, opwinding

Voorbeeld:

The child had a high fever and was restless.
Het kind had hoge koorts en was onrustig.

cough

/kɑːf/

(verb) hoesten;

(noun) hoest

Voorbeeld:

He started to cough uncontrollably during the meeting.
Hij begon oncontroleerbaar te hoesten tijdens de vergadering.

sneeze

/sniːz/

(verb) niezen;

(noun) nies

Voorbeeld:

The dust made her sneeze.
Het stof deed haar niezen.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

sore throat

/ˌsɔːr ˈθroʊt/

(noun) zere keel, keelpijn

Voorbeeld:

I woke up with a sore throat this morning.
Ik werd vanochtend wakker met een zere keel.

medication

/ˌmed.əˈkeɪ.ʃən/

(noun) medicatie, geneesmiddel, behandeling

Voorbeeld:

He is currently on medication for his high blood pressure.
Hij gebruikt momenteel medicatie voor zijn hoge bloeddruk.

rest

/rest/

(noun) rust, pauze, rest;

(verb) rusten, uitrusten, liggen

Voorbeeld:

I need to take a rest after a long day.
Ik moet rusten na een lange dag.

pill

/pɪl/

(noun) pil, tablet, pluisje;

(verb) pillen, pluizen

Voorbeeld:

Take one pill with water after meals.
Neem één pil met water na de maaltijd.

patient

/ˈpeɪ.ʃənt/

(adjective) geduldig;

(noun) patiënt

Voorbeeld:

You need to be more patient with your younger siblings.
Je moet geduldiger zijn met je jongere broers en zussen.

cure

/kjʊr/

(noun) geneesmiddel, kuur;

(verb) genezen, helen, conserveren

Voorbeeld:

Scientists are still searching for a cure for cancer.
Wetenschappers zoeken nog steeds naar een geneesmiddel tegen kanker.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

die

/daɪ/

(verb) sterven, overlijden, uitvallen;

(noun) dobbelsteen

Voorbeeld:

Many plants die in the winter.
Veel planten sterven in de winter.

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland