Avatar of Vocabulary Set A2 - Bloemen, Fruit en Noten

Vocabulaireverzameling A2 - Bloemen, Fruit en Noten in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Bloemen, Fruit en Noten' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

farm

/fɑːrm/

(noun) boerderij, hoeve;

(verb) verbouwen, boeren

Voorbeeld:

My grandparents live on a large farm in the countryside.
Mijn grootouders wonen op een grote boerderij op het platteland.

farming

/ˈfɑːr.mɪŋ/

(noun) landbouw, boerenbedrijf

Voorbeeld:

Organic farming methods are becoming more popular.
Biologische landbouwmethoden worden steeds populairder.

pick

/pɪk/

(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;

(noun) keuze, selectie, houweel

Voorbeeld:

She had to pick a dress for the party.
Ze moest een jurk kiezen voor het feest.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

grow

/ɡroʊ/

(verb) groeien, toenemen, verbouwen

Voorbeeld:

The company's profits continue to grow.
De winst van het bedrijf blijft groeien.

produce

/prəˈduːs/

(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;

(noun) producten, landbouwproducten

Voorbeeld:

The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.

feed

/fiːd/

(verb) voeden, voeren, toevoeren;

(noun) voeding, voer, feed

Voorbeeld:

She needs to feed her baby every three hours.
Ze moet haar baby elke drie uur voeden.

strawberry

/ˈstrɑːˌber.i/

(noun) aardbei

Voorbeeld:

She picked fresh strawberries from the garden.
Ze plukte verse aardbeien uit de tuin.

blueberry

/ˈbluːˌbər.i/

(noun) bosbes

Voorbeeld:

She added fresh blueberries to her morning oatmeal.
Ze voegde verse bosbessen toe aan haar havermoutpap.

watermelon

/ˈwɑː.t̬ɚˌmel.ən/

(noun) watermeloen

Voorbeeld:

We cut open the watermelon and shared it among us.
We sneden de watermeloen open en deelden hem onder ons.

pear

/per/

(noun) peer

Voorbeeld:

She bit into a ripe, juicy pear.
Ze beet in een rijpe, sappige peer.

pineapple

/ˈpaɪnˌæp.əl/

(noun) ananas

Voorbeeld:

I love eating fresh pineapple in the summer.
Ik eet graag verse ananas in de zomer.

mango

/ˈmæŋ.ɡoʊ/

(noun) mango

Voorbeeld:

She peeled the mango and sliced it for breakfast.
Ze schilde de mango en sneed hem voor het ontbijt.

kiwi

/ˈkiː.wiː/

(noun) kiwi, kiwivogel, kiwifruit

Voorbeeld:

The kiwi is a nocturnal bird.
De kiwi is een nachtvogel.

avocado

/ˌɑː.vəˈkɑː.doʊ/

(noun) avocado

Voorbeeld:

I love adding sliced avocado to my toast in the morning.
Ik vind het heerlijk om 's ochtends gesneden avocado op mijn toast te doen.

grapefruit

/ˈɡreɪp.fruːt/

(noun) grapefruit

Voorbeeld:

She started her day with half a grapefruit.
Ze begon haar dag met een halve grapefruit.

rose

/roʊz/

(noun) roos;

(verb) rees, steeg

Voorbeeld:

She received a bouquet of red roses for her birthday.
Ze kreeg een boeket rode rozen voor haar verjaardag.

lily

/ˈlɪl.i/

(noun) lelie

Voorbeeld:

The white lily symbolizes purity.
De witte lelie symboliseert zuiverheid.

orchid

/ˈɔːr.kɪd/

(noun) orchidee

Voorbeeld:

She received a beautiful orchid as a gift.
Ze kreeg een prachtige orchidee als cadeau.

sunflower

/ˈsʌnˌflaʊ.ɚ/

(noun) zonnebloem

Voorbeeld:

The field was full of bright yellow sunflowers.
Het veld stond vol met felgele zonnebloemen.

cactus

/ˈkæk.təs/

(noun) cactus

Voorbeeld:

The desert is home to many types of cactus.
De woestijn is de thuisbasis van vele soorten cactus.

nut

/nʌt/

(noun) noot, moer, gek;

(verb) inbeuken, koppen

Voorbeeld:

Squirrels bury nuts for the winter.
Eekhoorns begraven noten voor de winter.

peanut

/ˈpiː.nʌt/

(noun) pinda, aardnoot, kleinigheid

Voorbeeld:

I love eating roasted peanuts as a snack.
Ik eet graag geroosterde pinda's als snack.

walnut

/ˈwɑːl.nʌt/

(noun) walnoot, walnootboom

Voorbeeld:

She cracked a walnut and ate the kernel.
Ze kraakte een walnoot en at de pit.

hazelnut

/ˈheɪ.zəl.nʌt/

(noun) hazelnoot

Voorbeeld:

She added chopped hazelnuts to the cookie dough.
Ze voegde gehakte hazelnoten toe aan het koekjesdeeg.

almond

/ˈɑːl.mənd/

(noun) amandel, amandelboom;

(adjective) amandelkleurig

Voorbeeld:

She added sliced almonds to the salad for extra crunch.
Ze voegde gesneden amandelen toe aan de salade voor extra knapperigheid.

pecan

/pɪːˈkɑːn/

(noun) pecannoot

Voorbeeld:

She baked a delicious pecan pie for dessert.
Ze bakte een heerlijke pecantaart als toetje.

hard

/hɑːrd/

(adjective) hard, stevig, moeilijk;

(adverb) hard, intens, moeilijk

Voorbeeld:

The ground was hard from the frost.
De grond was hard van de vorst.

soft

/sɑːft/

(adjective) zacht, stil, mild;

(adverb) zachtjes, voorzichtig

Voorbeeld:

The pillow was wonderfully soft and comfortable.
Het kussen was heerlijk zacht en comfortabel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland