Avatar of Vocabulary Set A2 - Bijwoorden

Vocabulaireverzameling A2 - Bijwoorden in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Bijwoorden' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

maybe

/ˈmeɪ.bi/

(adverb) misschien, wellicht

Voorbeeld:

Maybe I'll go to the party, maybe I won't.
Misschien ga ik naar het feest, misschien ook niet.

probably

/ˈprɑː.bə.bli/

(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk

Voorbeeld:

It's probably going to rain later.
Het gaat waarschijnlijk later regenen.

around

/əˈraʊnd/

(preposition) rond, om, in de buurt;

(adverb) rond, in de buurt, overal

Voorbeeld:

The fence goes around the garden.
Het hek gaat rond de tuin.

out

/aʊt/

(adverb) uit, buiten, afwezig;

(adjective) uit, niet populair;

(preposition) uit, weg

Voorbeeld:

She stepped out of the car.
Ze stapte uit de auto.

in

/ɪn/

(preposition) in;

(adverb) binnen, thuis, op kantoor;

(adjective) in, populair

Voorbeeld:

The keys are in the drawer.
De sleutels zijn in de lade.

also

/ˈɑːl.soʊ/

(adverb) ook, tevens, daarenboven

Voorbeeld:

She is a talented singer and also a great dancer.
Ze is een getalenteerde zangeres en ook een geweldige danseres.

actually

/ˈæk.tʃu.ə.li/

(adverb) eigenlijk, inderdaad, echt

Voorbeeld:

I thought it would be difficult, but it was actually quite easy.
Ik dacht dat het moeilijk zou zijn, maar het was eigenlijk best makkelijk.

exactly

/ɪɡˈzækt.li/

(adverb) precies, exact, inderdaad

Voorbeeld:

The measurements must be exactly right.
De metingen moeten precies kloppen.

almost

/ˈɑːl.moʊst/

(adverb) bijna, nagenoeg

Voorbeeld:

I'm almost done with my homework.
Ik ben bijna klaar met mijn huiswerk.

greatly

/ˈɡreɪt.li/

(adverb) aanzienlijk, erg

Voorbeeld:

Her performance has greatly improved.
Haar prestaties zijn aanzienlijk verbeterd.

especially

/ɪˈspeʃ.əl.i/

(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal

Voorbeeld:

I love all fruits, but especially mangoes.
Ik hou van alle vruchten, maar vooral mango's.

generally

/ˈdʒen.ə r.əl.i/

(adverb) meestal, over het algemeen, algemeen

Voorbeeld:

He generally arrives on time.
Hij komt meestal op tijd aan.

finally

/ˈfaɪ.nəl.i/

(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After hours of searching, they finally found the lost dog.
Na uren zoeken vonden ze de verloren hond eindelijk.

only

/ˈoʊn.li/

(adverb) alleen, slechts, nog maar;

(adjective) enige, alleen;

(conjunction) alleen, maar

Voorbeeld:

I only have five dollars left.
Ik heb nog maar vijf dollar over.

just

/dʒʌst/

(adverb) precies, net, alleen;

(adjective) rechtvaardig, eerlijk

Voorbeeld:

That's just what I needed.
Dat is precies wat ik nodig had.

over

/ˈoʊ.vɚ/

(preposition) over, boven, aan de andere kant van;

(adverb) voorbij, afgelopen, om;

(adjective) voorbij, afgelopen

Voorbeeld:

The plane flew over the city.
Het vliegtuig vloog over de stad.

at least

/æt liːst/

(phrase) minstens, ten minste, tenminste

Voorbeeld:

It will cost at least $100.
Het zal minstens $100 kosten.

at last

/ət ˈlæst/

(adverb) eindelijk, uiteindelijk

Voorbeeld:

At last, the train arrived.
Eindelijk, de trein arriveerde.

ahead

/əˈhed/

(adverb) vooruit, voorop, in de toekomst

Voorbeeld:

The road ahead was clear.
De weg vooruit was vrij.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

easily

/ˈiː.zəl.i/

(adverb) gemakkelijk, eenvoudig, veruit

Voorbeeld:

She can easily lift that box.
Ze kan die doos gemakkelijk optillen.

carefully

/ˈker.fəl.i/

(adverb) voorzichtig, zorgvuldig, aandachtig

Voorbeeld:

She picked up the delicate vase carefully.
Ze pakte de delicate vaas voorzichtig op.

well

/wel/

(adverb) goed, ruim;

(adjective) goed, gezond;

(interjection) nou, wel;

(noun) put, bron;

(verb) opwellen, stromen

Voorbeeld:

She sings very well.
Ze zingt heel goed.

still

/stɪl/

(adverb) nog steeds, nog, toch;

(adjective) stil, onbeweeglijk;

(noun) stilstaand beeld, foto;

(verb) kalmeren, tot rust brengen

Voorbeeld:

It's still raining outside.
Het regent nog steeds buiten.

then

/ðen/

(adverb) toen, destijds, daarna;

(conjunction) dan, dus;

(adjective) toenmalig, destijds

Voorbeeld:

I was living in London then.
Ik woonde toen in Londen.

sadly

/ˈsæd.li/

(adverb) bedroefd, treurig, helaas

Voorbeeld:

She shook her head sadly.
Ze schudde bedroefd haar hoofd.

slowly

/ˈsloʊ.li/

(adverb) langzaam, traag

Voorbeeld:

He walked slowly towards the door.
Hij liep langzaam naar de deur.

once

/wʌns/

(adverb) eens, één keer, vroeger;

(conjunction) zodra, wanneer

Voorbeeld:

I only met him once.
Ik heb hem maar één keer ontmoet.

twice

/twaɪs/

(adverb) tweemaal, twee keer

Voorbeeld:

I've been to Paris twice.
Ik ben twee keer in Parijs geweest.

wherever

/werˈev.ɚ/

(adverb) waar ook, overal waar;

(conjunction) waar ook, ongeacht de plaats

Voorbeeld:

You can sit wherever you like.
Je kunt zitten waar je maar wilt.

anytime

/ˈen.i.taɪm/

(adverb) altijd, op elk moment

Voorbeeld:

You can call me anytime you need help.
Je kunt me altijd bellen als je hulp nodig hebt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland