Vocabulaireverzameling A2 - Bijwoorden in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Bijwoorden' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adverb) misschien, wellicht
Voorbeeld:
(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk
Voorbeeld:
(preposition) rond, om, in de buurt;
(adverb) rond, in de buurt, overal
Voorbeeld:
(adverb) uit, buiten, afwezig;
(adjective) uit, niet populair;
(preposition) uit, weg
Voorbeeld:
(preposition) in;
(adverb) binnen, thuis, op kantoor;
(adjective) in, populair
Voorbeeld:
(adverb) ook, tevens, daarenboven
Voorbeeld:
(adverb) eigenlijk, inderdaad, echt
Voorbeeld:
(adverb) precies, exact, inderdaad
Voorbeeld:
(adverb) bijna, nagenoeg
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk, erg
Voorbeeld:
(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal
Voorbeeld:
(adverb) meestal, over het algemeen, algemeen
Voorbeeld:
(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(adverb) alleen, slechts, nog maar;
(adjective) enige, alleen;
(conjunction) alleen, maar
Voorbeeld:
(adverb) precies, net, alleen;
(adjective) rechtvaardig, eerlijk
Voorbeeld:
(preposition) over, boven, aan de andere kant van;
(adverb) voorbij, afgelopen, om;
(adjective) voorbij, afgelopen
Voorbeeld:
(phrase) minstens, ten minste, tenminste
Voorbeeld:
(adverb) eindelijk, uiteindelijk
Voorbeeld:
(adverb) vooruit, voorop, in de toekomst
Voorbeeld:
(adjective) voorbij, verleden;
(noun) verleden;
(preposition) voorbij, langs;
(adverb) voorbij
Voorbeeld:
(adverb) gemakkelijk, eenvoudig, veruit
Voorbeeld:
(adverb) voorzichtig, zorgvuldig, aandachtig
Voorbeeld:
(adverb) goed, ruim;
(adjective) goed, gezond;
(interjection) nou, wel;
(noun) put, bron;
(verb) opwellen, stromen
Voorbeeld:
(adverb) nog steeds, nog, toch;
(adjective) stil, onbeweeglijk;
(noun) stilstaand beeld, foto;
(verb) kalmeren, tot rust brengen
Voorbeeld:
(adverb) toen, destijds, daarna;
(conjunction) dan, dus;
(adjective) toenmalig, destijds
Voorbeeld:
(adverb) bedroefd, treurig, helaas
Voorbeeld:
(adverb) langzaam, traag
Voorbeeld:
(adverb) eens, één keer, vroeger;
(conjunction) zodra, wanneer
Voorbeeld:
(adverb) tweemaal, twee keer
Voorbeeld:
(adverb) waar ook, overal waar;
(conjunction) waar ook, ongeacht de plaats
Voorbeeld:
(adverb) altijd, op elk moment
Voorbeeld: