Avatar of Vocabulary Set A1 - Hoofd en Gezicht

Vocabulaireverzameling A1 - Hoofd en Gezicht in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Hoofd en Gezicht' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

head

/hed/

(noun) hoofd, kop, leider;

(verb) gaan, zich begeven, leiden;

(adjective) hoofd, voorste

Voorbeeld:

She nodded her head in agreement.
Ze knikte haar hoofd instemmend.

forehead

/ˈfɑː.rɪd/

(noun) voorhoofd

Voorbeeld:

She wiped the sweat from her forehead.
Ze veegde het zweet van haar voorhoofd.

hair

/her/

(noun) haar, kapsel

Voorbeeld:

She has long, beautiful hair.
Ze heeft lang, mooi haar.

brain

/breɪn/

(noun) hersenen, brein, intelligentie;

(verb) hersens inslaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human brain is a complex organ.
Het menselijk brein is een complex orgaan.

neck

/nek/

(noun) nek, hals, kraag;

(verb) zoenen, tongzoenen

Voorbeeld:

She wore a beautiful necklace around her neck.
Ze droeg een prachtige ketting om haar nek.

face

/feɪs/

(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;

(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen

Voorbeeld:

She washed her face with cold water.
Ze waste haar gezicht met koud water.

eye

/aɪ/

(noun) oog, opening;

(verb) bekijken, observeren

Voorbeeld:

She has beautiful blue eyes.
Ze heeft prachtige blauwe ogen.

eyebrow

/ˈaɪ.braʊ/

(noun) wenkbrauw

Voorbeeld:

She raised an eyebrow in surprise.
Ze trok een wenkbrauw op van verbazing.

nose

/noʊz/

(noun) neus, voorkant;

(verb) wroeten, snuffelen, zich een weg banen

Voorbeeld:

He wiped his nose with a tissue.
Hij veegde zijn neus af met een tissue.

ear

/ɪr/

(noun) oor, aar, kolf

Voorbeeld:

She whispered something in his ear.
Ze fluisterde iets in zijn oor.

cheek

/tʃiːk/

(noun) wang, brutaliteit, onbeschaamdheid;

(verb) brutaliseren, onbeschaamd zijn

Voorbeeld:

She kissed him on the cheek.
Ze kuste hem op de wang.

chin

/tʃɪn/

(noun) kin;

(verb) op de kin slaan

Voorbeeld:

He rested his chin on his hand.
Hij liet zijn kin op zijn hand rusten.

mouth

/maʊθ/

(noun) mond, monding, ingang;

(verb) uitspreken, zeggen

Voorbeeld:

He opened his mouth to speak.
Hij opende zijn mond om te spreken.

tooth

/tuːθ/

(noun) tand, vertanding

Voorbeeld:

He brushed his teeth twice a day.
Hij poetste zijn tanden twee keer per dag.

lip

/lɪp/

(noun) lip, rand;

(verb) brutaal zijn, mondig zijn

Voorbeeld:

She bit her lip nervously.
Ze beet nerveus op haar lip.

tongue

/tʌŋ/

(noun) tong, taal;

(verb) likken

Voorbeeld:

She bit her tongue while eating.
Ze beet op haar tong tijdens het eten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland