Avatar of Vocabulary Set A1 - Voedsel 1

Vocabulaireverzameling A1 - Voedsel 1 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Voedsel 1' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

food

/fuːd/

(noun) voedsel, eten

Voorbeeld:

We need to buy some food for dinner.
We moeten wat eten kopen voor het avondeten.

meat

/miːt/

(noun) vlees, pit

Voorbeeld:

We had roasted meat for dinner.
We hadden gebraden vlees als avondeten.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

chicken

/ˈtʃɪk.ɪn/

(noun) kip, lafaard, bangebroek;

(verb) terugtrekken, laf zijn;

(adjective) laf, bang

Voorbeeld:

She bought a whole chicken for dinner.
Ze kocht een hele kip voor het avondeten.

vegetable

/ˈvedʒ.tə.bəl/

(noun) groente, plant, vegetatieve toestand

Voorbeeld:

Carrots and broccoli are healthy vegetables.
Wortels en broccoli zijn gezonde groenten.

cucumber

/ˈkjuː.kʌm.bɚ/

(noun) komkommer

Voorbeeld:

She sliced the cucumber thinly for the salad.
Ze sneed de komkommer dun voor de salade.

potato

/pəˈteɪ.t̬oʊ/

(noun) aardappel

Voorbeeld:

She peeled the potato for dinner.
Ze schilde de aardappel voor het avondeten.

onion

/ˈʌn.jən/

(noun) ui

Voorbeeld:

Chop the onion finely for the sauce.
Snijd de ui fijn voor de saus.

tomato

/təˈmeɪ.t̬oʊ/

(noun) tomaat

Voorbeeld:

She sliced a ripe tomato for her sandwich.
Ze sneed een rijpe tomaat voor haar boterham.

carrot

/ˈker.ət/

(noun) wortel, lokkertje

Voorbeeld:

She added sliced carrots to the stew.
Ze voegde gesneden wortels toe aan de stoofpot.

pepper

/ˈpep.ɚ/

(noun) peper, paprika, chilipeper;

(verb) peperen, kruiden met peper, bestoken

Voorbeeld:

Please pass the salt and pepper.
Geef alsjeblieft het zout en de peper door.

corn

/kɔːrn/

(noun) maïs, likdoorn

Voorbeeld:

The farmer planted rows of corn in the field.
De boer plantte rijen maïs op het veld.

fruit

/fruːt/

(noun) fruit, vrucht, resultaat;

(verb) vruchten dragen, fruit produceren

Voorbeeld:

Apples and oranges are common types of fruit.
Appels en sinaasappels zijn veelvoorkomende soorten fruit.

apple

/ˈæp.əl/

(noun) appel

Voorbeeld:

She bit into a crisp red apple.
Ze beet in een knapperige rode appel.

orange

/ˈɔːr.ɪndʒ/

(noun) sinaasappel;

(adjective) oranje

Voorbeeld:

She peeled an orange and ate it.
Ze schilde een sinaasappel en at hem op.

grape

/ɡreɪp/

(noun) druif

Voorbeeld:

She enjoyed a bunch of fresh grapes as a snack.
Ze genoot van een tros verse druiven als tussendoortje.

banana

/bəˈnæn.ə/

(noun) banaan

Voorbeeld:

She peeled a banana and ate it.
Ze pelde een banaan en at hem op.

peach

/piːtʃ/

(noun) perzik, parel, schat;

(verb) verlinken, klikken;

(adjective) perzikkleurig

Voorbeeld:

She bit into a ripe, juicy peach.
Ze beet in een rijpe, sappige perzik.

lemon

/ˈlem.ən/

(noun) citroen, mislukking, waardeloos product;

(adjective) citroengeel

Voorbeeld:

She squeezed a lemon into her tea.
Ze kneep een citroen in haar thee.

dairy

/ˈder.i/

(noun) zuivelfabriek, melkbedrijf;

(adjective) zuivel, melk-

Voorbeeld:

The fresh milk is delivered daily to the dairy.
De verse melk wordt dagelijks geleverd aan de zuivelfabriek.

milk

/mɪlk/

(noun) melk;

(verb) melken, uitmelken, uitbuiten

Voorbeeld:

She poured some milk into her coffee.
Ze schonk wat melk in haar koffie.

cheese

/tʃiːz/

(noun) kaas, lach, grijns;

(verb) lachen, grijnzen

Voorbeeld:

Would you like some cheese with your crackers?
Wilt u wat kaas bij uw crackers?

butter

/ˈbʌt̬.ɚ/

(noun) boter;

(verb) boteren, besmeren met boter

Voorbeeld:

Please pass the butter.
Geef de boter door, alstublieft.

yogurt

/ˈjoʊ.ɡɚt/

(noun) yoghurt

Voorbeeld:

She eats yogurt with fruit for breakfast every day.
Ze eet elke dag yoghurt met fruit als ontbijt.

egg

/eɡ/

(noun) ei;

(verb) aanzetten, aanmoedigen

Voorbeeld:

The bird laid an egg in the nest.
De vogel legde een ei in het nest.

cream

/kriːm/

(noun) room, slagroom, crème;

(verb) kloppen, purere;

(adjective) crèmekleurig, roomkleurig

Voorbeeld:

She poured cream into her coffee.
Ze schonk room in haar koffie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland