Avatar of Vocabulary Set A1 - Kleding en Schoenen

Vocabulaireverzameling A1 - Kleding en Schoenen in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Kleding en Schoenen' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

clothes

/kloʊðz/

(plural noun) kleding, kleren

Voorbeeld:

She bought some new clothes for the party.
Ze kocht nieuwe kleren voor het feest.

shirt

/ʃɝːt/

(noun) hemd, shirt

Voorbeeld:

He wore a blue shirt to the office.
Hij droeg een blauw hemd naar kantoor.

T-shirt

/ˈtiː.ʃɜːrt/

(noun) T-shirt

Voorbeeld:

He was wearing a plain white T-shirt.
Hij droeg een effen wit T-shirt.

pants

/pænts/

(plural noun) broek, onderbroek, slip;

(verb) hijgen, puffen

Voorbeeld:

He was wearing a pair of blue denim pants.
Hij droeg een blauwe spijkerbroek.

dress

/dres/

(noun) jurk;

(verb) aankleden, dresseren, bereiden

Voorbeeld:

She wore a beautiful blue dress to the party.
Ze droeg een prachtige blauwe jurk naar het feest.

skirt

/skɝːt/

(noun) rok, onderkant;

(verb) omzeilen, langsgaan, vermijden

Voorbeeld:

She wore a long, flowing skirt to the party.
Ze droeg een lange, zwierige rok naar het feest.

coat

/koʊt/

(noun) jas, mantel, laag;

(verb) bekleden, coaten

Voorbeeld:

She put on her winter coat before going outside.
Ze trok haar winterjas aan voordat ze naar buiten ging.

raincoat

/ˈreɪŋ.koʊt/

(noun) regenjas, regenmantel

Voorbeeld:

Don't forget your raincoat; it's going to pour.
Vergeet je regenjas niet; het gaat gieten.

jacket

/ˈdʒæk.ɪt/

(noun) jas, jack, omslag

Voorbeeld:

She wore a warm winter jacket.
Ze droeg een warme winterjas.

jeans

/dʒiːnz/

(plural noun) jeans, spijkerbroek

Voorbeeld:

She always wears blue jeans.
Ze draagt altijd blauwe jeans.

sweater

/ˈswet̬.ɚ/

(noun) trui, pullover

Voorbeeld:

She wore a warm wool sweater.
Ze droeg een warme wollen trui.

suit

/suːt/

(noun) pak, kostuum, rechtszaak;

(verb) passen, schikken, staan

Voorbeeld:

He wore a dark blue suit to the interview.
Hij droeg een donkerblauw pak naar het interview.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

hat

/hæt/

(noun) hoed, pet;

(verb) een hoed opzetten, van een hoed voorzien

Voorbeeld:

She wore a wide-brimmed hat to protect herself from the sun.
Ze droeg een breedgerande hoed om zichzelf tegen de zon te beschermen.

belt

/belt/

(noun) riem, gordel, band;

(verb) gordelen, vastmaken, luid zingen

Voorbeeld:

He tightened his belt after losing weight.
Hij trok zijn riem strakker aan nadat hij was afgevallen.

purse

/pɝːs/

(noun) handtas, beurs, prijzenpot;

(verb) samentrekken, rimpelen

Voorbeeld:

She searched for her keys in her purse.
Ze zocht haar sleutels in haar handtas.

glove

/ɡlʌv/

(noun) handschoen;

(verb) handschoenen aantrekken

Voorbeeld:

She put on her winter gloves before going outside.
Ze trok haar winterhandschoenen aan voordat ze naar buiten ging.

scarf

/skɑːrf/

(noun) sjaal;

(verb) schrokken, opschrokken

Voorbeeld:

She wrapped a warm scarf around her neck.
Ze wikkelde een warme sjaal om haar nek.

shoe

/ʃuː/

(noun) schoen;

(verb) beslaan

Voorbeeld:

She bought a new pair of shoes for the party.
Ze kocht een nieuw paar schoenen voor het feest.

boot

/buːt/

(noun) laars, kofferbak;

(verb) schoppen, eruit gooien, opstarten

Voorbeeld:

She wore leather boots for hiking.
Ze droeg leren laarzen om te wandelen.

sneaker

/ˈsniː.kɚ/

(noun) sneaker, sportschoen

Voorbeeld:

He bought a new pair of sneakers for running.
Hij kocht een nieuw paar sneakers om te rennen.

sock

/sɑːk/

(noun) sok;

(verb) slaan, stompen

Voorbeeld:

He pulled on a pair of warm wool socks.
Hij trok een paar warme wollen sokken aan.

pajamas

/pəˈdʒɑː.məz/

(noun) pyjama

Voorbeeld:

She changed into her comfortable pajamas before bed.
Ze trok haar comfortabele pyjama aan voor het slapengaan.

underwear

/ˈʌn.dɚ.wer/

(noun) ondergoed, onderkleding

Voorbeeld:

She bought new lace underwear.
Ze kocht nieuw kanten ondergoed.

swimsuit

/ˈswɪm.suːt/

(noun) zwempak, badpak, zwembroek

Voorbeeld:

She bought a new swimsuit for her vacation.
Ze kocht een nieuwe zwempak voor haar vakantie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland