Avatar of Vocabulary Set A1 - Dieren

Vocabulaireverzameling A1 - Dieren in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Dieren' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

animal

/ˈæn.ɪ.məl/

(noun) dier, beest, barbaar;

(adjective) dierlijk

Voorbeeld:

The zoo has many different types of animals.
De dierentuin heeft veel verschillende soorten dieren.

cat

/kæt/

(noun) kat, gast, kerel;

(verb) hijsen, optrekken

Voorbeeld:

My cat loves to chase laser pointers.
Mijn kat houdt ervan om laserpointers te achtervolgen.

dog

/dɑːɡ/

(noun) hond, rotzak, smeerlap;

(verb) achtervolgen, volgen

Voorbeeld:

My neighbor's dog barks loudly every morning.
De hond van mijn buurman blaft elke ochtend luid.

horse

/hɔːrs/

(noun) paard, bok, steun;

(verb) van paarden voorzien, met paarden trekken

Voorbeeld:

The knight rode his horse into battle.
De ridder reed op zijn paard de strijd in.

sheep

/ʃiːp/

(noun) schaap, volger, meeloper

Voorbeeld:

The farmer led his flock of sheep to the pasture.
De boer leidde zijn kudde schapen naar de weide.

cow

/kaʊ/

(noun) koe;

(verb) intimideren, afschrikken

Voorbeeld:

The farmer milked the cow early in the morning.
De boer molk de koe vroeg in de ochtend.

pig

/pɪɡ/

(noun) varken, viespeuk, vreetzak;

(verb) zich volproppen, vreten

Voorbeeld:

The farmer raised a lot of pigs for their meat.
De boer fokte veel varkens voor hun vlees.

goat

/ɡoʊt/

(noun) geit, GOAT, Grootste Aller Tijden

Voorbeeld:

The farmer led the goat back to its pen.
De boer leidde de geit terug naar zijn hok.

lion

/ˈlaɪ.ən/

(noun) leeuw, dappere persoon, sterke persoon

Voorbeeld:

The lion roared loudly in the savanna.
De leeuw brulde luid in de savanne.

monkey

/ˈmʌŋ.ki/

(noun) aap, ondeugd, kwajongen;

(verb) prutsen, rommelen

Voorbeeld:

The monkey swung from tree to tree.
De aap slingerde van boom naar boom.

bear

/ber/

(noun) beer;

(verb) dragen, verdragen, baren

Voorbeeld:

A grizzly bear was spotted near the campsite.
Een grizzlybeer werd gespot nabij de camping.

rabbit

/ˈræb.ɪt/

(noun) konijn;

(verb) ratelen, kletsen

Voorbeeld:

The rabbit hopped across the field.
Het konijn huppelde over het veld.

mouse

/maʊs/

(noun) muis;

(verb) muizen, met de muis bewegen

Voorbeeld:

A tiny mouse scurried across the floor.
Een kleine muis schoot over de vloer.

snake

/sneɪk/

(noun) slang, verrader;

(verb) kronkelen, slingeren, sluipen

Voorbeeld:

A venomous snake slithered through the grass.
Een giftige slang glibberde door het gras.

frog

/frɑːɡ/

(noun) kikker, kikkerhaak

Voorbeeld:

The frog jumped into the pond.
De kikker sprong in de vijver.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

elephant

/ˈel.ə.fənt/

(noun) olifant

Voorbeeld:

The elephant sprayed water over itself with its trunk.
De olifant sproeide water over zichzelf met zijn slurf.

bird

/bɝːd/

(noun) vogel, meid, vrouw;

(verb) de middelvinger opsteken

Voorbeeld:

The little bird sang sweetly on the branch.
Het kleine vogeltje zong lieflijk op de tak.

chicken

/ˈtʃɪk.ɪn/

(noun) kip, lafaard, bangebroek;

(verb) terugtrekken, laf zijn;

(adjective) laf, bang

Voorbeeld:

She bought a whole chicken for dinner.
Ze kocht een hele kip voor het avondeten.

duck

/dʌk/

(noun) eend;

(verb) duiken, ontwijken

Voorbeeld:

The duck swam gracefully across the pond.
De eend zwom gracieus over de vijver.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland