Vocabulaireverzameling Internet en Websites 2 in Communicatie: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Internet en Websites 2' in 'Communicatie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) instant message, chatbericht;
(verb) instant message sturen, chatten
Voorbeeld:
(noun) instant messaging, directe berichten
Voorbeeld:
(noun) het internet, het web
Voorbeeld:
(noun) internetprovider, internet service provider
Voorbeeld:
(noun) IP-adres
Voorbeeld:
(noun) landingspagina
Voorbeeld:
(noun) link, verband, relatie;
(verb) verbinden, koppelen, samenvoegen
Voorbeeld:
(verb) leven, wonen, verblijven;
(adjective) live, rechtstreeks, levend;
(adverb) live, rechtstreeks
Voorbeeld:
(verb) op de loer liggen, schuilen, verborgen zijn
Voorbeeld:
(noun) bericht, boodschap, strekking;
(verb) berichten, een bericht sturen
Voorbeeld:
(noun) prikbord, forum
Voorbeeld:
(noun) mirrorsite, spiegelsite
Voorbeeld:
(verb) navigeren, sturen, zich verplaatsen
Voorbeeld:
(noun) netiquette, internetetiquette
Voorbeeld:
(noun) internetgebruiker, netizen
Voorbeeld:
(noun) internetgebruiker, netsurfer
Voorbeeld:
(noun) nieuwsgroep, discussieforum
Voorbeeld:
(noun) nieuwsdienst, persbureau
Voorbeeld:
(adjective) offline, niet verbonden;
(adverb) offline
Voorbeeld:
(adverb) online, verbonden;
(adjective) online, digitaal
Voorbeeld:
(noun) pagina, blad, page;
(verb) oproepen, piepen
Voorbeeld:
(noun) ping, kling, netwerksignaal;
(verb) pingen, klinken, controleren op aanwezigheid
Voorbeeld:
(noun) podcast;
(verb) podcasten
Voorbeeld:
(noun) podcasting, het maken van podcasts
Voorbeeld:
(noun) portaal, ingang, webportaal
Voorbeeld:
(verb) publiceren, uitgeven, bekendmaken
Voorbeeld:
(noun) push-technologie
Voorbeeld:
(noun) zoekmachine
Voorbeeld:
(noun) serviceprovider, dienstverlener
Voorbeeld:
(noun) locatie, plaats, terrein;
(verb) plaatsen, situeren, lokaliseren
Voorbeeld:
(noun) zilveren surfer, oudere internetgebruiker
Voorbeeld:
(noun) winkelpui, etalage
Voorbeeld:
(noun) branding, schuim;
(verb) surfen, navigeren
Voorbeeld:
(noun) surfer, internetsurfer, webgebruiker
Voorbeeld:
(noun) surfen, golfsurfen, zappen;
(verb) surfend, zappend
Voorbeeld:
(noun) trol, internet-trol;
(verb) trollen, pesten online
Voorbeeld:
(noun) gebruikersgroep
Voorbeeld:
(verb) bezoeken;
(noun) bezoek, huisbezoek
Voorbeeld:
(noun) webchat, online chat
Voorbeeld:
(noun) webcast, internetuitzending;
(verb) webcasten, uitzenden via internet
Voorbeeld:
(noun) webpagina, internetpagina
Voorbeeld:
(noun) website
Voorbeeld: