Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 17 - Snelle levering: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 17 - Snelle levering' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) breekbaar, fragiel, kwetsbaar
Voorbeeld:
(adjective) bederfelijk;
(plural noun) bederfelijke goederen
Voorbeeld:
(verb) bezorgen, leveren, opleveren
Voorbeeld:
(verb) verzekeren, ervoor zorgen
Voorbeeld:
(noun) koerier, bode, reisleider;
(verb) koerieren, verzenden per koerier
Voorbeeld:
(noun) karton, doos
Voorbeeld:
(noun) adres, toespraak, rede;
(verb) toespreken, aanpakken, adresseren
Voorbeeld:
(noun) verzending, zending, levering
Voorbeeld:
(adverb) bijzonder, vooral, in het bijzonder
Voorbeeld:
(adverb) adequaat, voldoende
Voorbeeld:
(noun) artikel, voorwerp, stuk;
(article) lidwoord
Voorbeeld:
(adjective) efficiënt, doelmatig
Voorbeeld:
(noun) bureau, agentschap, instantie
Voorbeeld:
(verb) omsluiten, omheinen, insluiten
Voorbeeld:
(adjective) voorzichtig, zorgvuldig, grondig
Voorbeeld:
(phrasal verb) oprapen, ophalen, oppikken
Voorbeeld:
(verb) dragen, vervoeren, bezitten;
(noun) bereik, vlucht
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, vastmaken, aanhechten
Voorbeeld:
(adverb) voorheen, vroeger
Voorbeeld:
(noun) pakket, pakje, voorstel;
(verb) verpakken, inpakken
Voorbeeld:
(verb) reageren, chemisch reageren
Voorbeeld:
(noun) inhoud, gehalte;
(adjective) tevreden, voldaan;
(verb) tevredenstellen, voldoen
Voorbeeld:
(noun) gemak, comfort, voorziening
Voorbeeld:
(verb) erkennen, toegeven, bevestigen
Voorbeeld:
(noun) voorzichtigheid, waarschuwing, vermaning;
(verb) waarschuwen, vermanen
Voorbeeld:
(noun) correspondentie, briefwisseling, overeenkomst
Voorbeeld:
(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;
(adjective) gescheiden, apart
Voorbeeld:
(adjective) opmerkelijk, bijzonder, uitzonderlijk
Voorbeeld:
(noun) handvat, greep;
(verb) behandelen, omgaan met
Voorbeeld:
(noun) magazijn, opslagplaats;
(verb) opslaan, magazineren
Voorbeeld:
(verb) opleggen, afdwingen, misbruik maken van
Voorbeeld:
(noun) opslag, bewaring, opslagcapaciteit
Voorbeeld:
(verb) losmaken, afscheiden, loskoppelen
Voorbeeld:
(noun) envelop, omhulsel, omhulling
Voorbeeld:
(noun) uitsluiting
Voorbeeld:
(noun) ontvanger, begunstigde
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, aanbrengen, vastmaken;
(noun) affix, voorvoegsel, achtervoegsel
Voorbeeld:
(adjective) incorrect, fout
Voorbeeld:
(verb) verplichten, dwingen, helpen
Voorbeeld:
(noun) stap, trede, opstapje;
(verb) stappen, lopen
Voorbeeld: