Avatar of Vocabulary Set Huizen en gebouwen

Vocabulaireverzameling Huizen en gebouwen in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Huizen en gebouwen' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

mansion

/ˈmæn.ʃən/

(noun) landhuis, herenhuis

Voorbeeld:

The old mansion stood on a hill overlooking the town.
Het oude landhuis stond op een heuvel met uitzicht op de stad.

lighthouse

/ˈlaɪt.haʊs/

(noun) vuurtoren

Voorbeeld:

The old lighthouse stood proudly on the cliff.
De oude vuurtoren stond trots op de klif.

skyscraper

/ˈskaɪˌskreɪ.pɚ/

(noun) wolkenkrabber

Voorbeeld:

The city skyline is dominated by towering skyscrapers.
De skyline van de stad wordt gedomineerd door torenhoge wolkenkrabbers.

warehouse

/ˈwer.haʊs/

(noun) magazijn, opslagplaats;

(verb) opslaan, magazineren

Voorbeeld:

The company stores its products in a large warehouse.
Het bedrijf slaat zijn producten op in een groot magazijn.

shelter

/ˈʃel.t̬ɚ/

(noun) onderdak, schuilplaats, toevluchtsoord;

(verb) beschermen, onderdak bieden, schuilen

Voorbeeld:

We sought shelter from the storm in an old barn.
We zochten onderdak tegen de storm in een oude schuur.

cellar

/ˈsel.ɚ/

(noun) kelder

Voorbeeld:

We keep our old wine bottles in the cellar.
We bewaren onze oude wijnflessen in de kelder.

landmark

/ˈlænd.mɑːrk/

(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;

(adjective) baanbrekend, historisch

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd oriëntatiepunt in Parijs.

property

/ˈprɑː.pɚ.t̬i/

(noun) eigendom, bezit, pand

Voorbeeld:

The house is my personal property.
Het huis is mijn persoonlijke eigendom.

shed

/ʃed/

(noun) schuur, loods;

(verb) afwerpen, verliezen, afstoten

Voorbeeld:

He keeps his gardening tools in the shed.
Hij bewaart zijn tuingereedschap in de schuur.

tomb

/tuːm/

(noun) graf, tombe;

(verb) begraven, ter aarde bestellen

Voorbeeld:

The ancient pharaoh's tomb was discovered by archaeologists.
Het graf van de oude farao werd ontdekt door archeologen.

column

/ˈkɑː.ləm/

(noun) kolom, zuil, pilaar

Voorbeeld:

The data is organized into three columns.
De gegevens zijn georganiseerd in drie kolommen.

structure

/ˈstrʌk.tʃɚ/

(noun) structuur, opbouw, bouwwerk;

(verb) structureren, opbouwen

Voorbeeld:

The structure of the human body is incredibly complex.
De structuur van het menselijk lichaam is ongelooflijk complex.

renovation

/ˌren.əˈveɪ.ʃən/

(noun) renovatie, verbouwing

Voorbeeld:

The old building is undergoing a major renovation.
Het oude gebouw ondergaat een grote renovatie.

construct

/kənˈstrʌkt/

(verb) bouwen, construeren, opbouwen;

(noun) construct, bouwsel

Voorbeeld:

They plan to construct a new bridge over the river.
Ze zijn van plan een nieuwe brug over de rivier te bouwen.

concrete

/ˈkɑːn.kriːt/

(noun) beton;

(adjective) concreet, tastbaar;

(verb) betonneren

Voorbeeld:

The bridge was built with reinforced concrete.
De brug is gebouwd met gewapend beton.

stairwell

/ˈster.wel/

(noun) trappenhuis

Voorbeeld:

The fire alarm sounded, and everyone evacuated through the stairwell.
Het brandalarm ging af en iedereen evacueerde via het trappenhuis.

floor plan

/ˈflɔːr plæn/

(noun) plattegrond

Voorbeeld:

The architect presented the new floor plan for the office building.
De architect presenteerde de nieuwe plattegrond voor het kantoorgebouw.

exterior

/ɪkˈstɪr.i.ɚ/

(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;

(adjective) extern, buiten-

Voorbeeld:

The exterior of the house was painted a light blue.
De buitenkant van het huis was lichtblauw geverfd.

interior

/ɪnˈtɪr.i.ɚ/

(noun) interieur, binnenkant, binnenland;

(adjective) binnenste, intern

Voorbeeld:

The interior of the car was spacious and comfortable.
Het interieur van de auto was ruim en comfortabel.

rooftop

/ˈruːf.tɑːp/

(noun) dakterras, dak

Voorbeeld:

We enjoyed a beautiful view from the rooftop bar.
We genoten van een prachtig uitzicht vanaf de dakterrasbar.

chimney

/ˈtʃɪm.ni/

(noun) schoorsteen

Voorbeeld:

Smoke billowed from the chimney.
Rook walmde uit de schoorsteen.

aisle

/aɪl/

(noun) gangpad, pad

Voorbeeld:

The bride walked down the aisle.
De bruid liep door het gangpad.

decor

/deɪˈkɔːr/

(noun) decor, inrichting

Voorbeeld:

The restaurant had a modern and elegant decor.
Het restaurant had een modern en elegant decor.

residential

/ˌrez.əˈden.ʃəl/

(adjective) residentieel, woon-

Voorbeeld:

This is a quiet residential area.
Dit is een rustige woonwijk.

spacious

/ˈspeɪ.ʃəs/

(adjective) ruim, spacieus

Voorbeeld:

The living room was very spacious, perfect for entertaining guests.
De woonkamer was erg ruim, perfect voor het ontvangen van gasten.

vacant

/ˈveɪ.kənt/

(adjective) leeg, vrij, afwezig

Voorbeeld:

The house has been vacant for a year.
Het huis staat al een jaar leeg.

abandoned

/əˈbæn.dənd/

(adjective) verlaten, achtergelaten, onbelemmerd

Voorbeeld:

The old house stood abandoned for years.
Het oude huis stond jarenlang verlaten.

drain

/dreɪn/

(verb) afvoeren, leegpompen, aftappen;

(noun) afvoer, goot, riool

Voorbeeld:

She drained the pasta in a colander.
Ze goot de pasta af in een vergiet.

collapse

/kəˈlæps/

(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;

(noun) instorting, ineenstorting, val

Voorbeeld:

The old bridge finally collapsed under the heavy load.
De oude brug bezweek uiteindelijk onder de zware lading.

decorator

/ˈdek.ər.eɪ.t̬ɚ/

(noun) decorateur, schilder, versierder

Voorbeeld:

The decorator suggested a new color scheme for the living room.
De decorateur stelde een nieuw kleurenschema voor de woonkamer voor.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland