Avatar of Vocabulary Set Biologie, natuurkunde en scheikunde

Vocabulaireverzameling Biologie, natuurkunde en scheikunde in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Biologie, natuurkunde en scheikunde' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

biology

/baɪˈɑː.lə.dʒi/

(noun) biologie, levensprocessen

Voorbeeld:

She is studying biology at university.
Ze studeert biologie aan de universiteit.

reproduction

/ˌriː.prəˈdʌk.ʃən/

(noun) reproductie, kopie, voortplanting

Voorbeeld:

The museum has a high-quality reproduction of the famous painting.
Het museum heeft een hoogwaardige reproductie van het beroemde schilderij.

metabolism

/məˈtæb.əl.ɪ.zəm/

(noun) metabolisme, stofwisseling

Voorbeeld:

Exercise can boost your metabolism.
Lichaamsbeweging kan je metabolisme stimuleren.

organism

/ˈɔːr-/

(noun) organisme, levensvorm, systeem

Voorbeeld:

Bacteria are single-celled organisms.
Bacteriën zijn eencellige organismen.

life cycle

/ˈlaɪf ˌsaɪ.kəl/

(noun) levenscyclus

Voorbeeld:

We studied the life cycle of a butterfly in science class.
We bestudeerden de levenscyclus van een vlinder in de biologieles.

molecule

/ˈmɑː.lɪ.kjuːl/

(noun) molecuul

Voorbeeld:

A water molecule consists of two hydrogen atoms and one oxygen atom.
Een watermolecuul bestaat uit twee waterstofatomen en één zuurstofatoom.

molecular

/məˈlek.jə.lɚ/

(adjective) moleculair

Voorbeeld:

The scientist studied the molecular structure of the compound.
De wetenschapper bestudeerde de moleculaire structuur van de verbinding.

matter

/ˈmæt̬.ɚ/

(noun) materie, stof, zaak;

(verb) er toe doen, belangrijk zijn

Voorbeeld:

All living things are composed of matter.
Alle levende wezens zijn samengesteld uit materie.

chemistry

/ˈkem.ə.stri/

(noun) scheikunde, chemie, klik

Voorbeeld:

She is studying chemistry at university.
Ze studeert scheikunde aan de universiteit.

element

/ˈel.ə.mənt/

(noun) element, onderdeel, scheikundig element

Voorbeeld:

Trust is a key element in any relationship.
Vertrouwen is een belangrijk element in elke relatie.

evolution

/ˌiː.vəˈluː.ʃən/

(noun) evolutie, ontwikkeling

Voorbeeld:

The evolution of humans from apes is a widely accepted scientific theory.
De evolutie van mensen uit apen is een breed geaccepteerde wetenschappelijke theorie.

property

/ˈprɑː.pɚ.t̬i/

(noun) eigendom, bezit, pand

Voorbeeld:

The house is my personal property.
Het huis is mijn persoonlijke eigendom.

photosynthesis

/ˌfoʊ.t̬oʊˈsɪn.θə.sɪs/

(noun) fotosynthese

Voorbeeld:

Plants produce oxygen as a byproduct of photosynthesis.
Planten produceren zuurstof als bijproduct van fotosynthese.

DNA

/ˌdiː.enˈeɪ/

(noun) DNA, essentie, aard

Voorbeeld:

Scientists are studying the structure of DNA.
Wetenschappers bestuderen de structuur van DNA.

gene

/dʒiːn/

(noun) gen

Voorbeeld:

The gene for blue eyes is recessive.
Het gen voor blauwe ogen is recessief.

react

/riˈækt/

(verb) reageren, chemisch reageren

Voorbeeld:

How did he react to the news?
Hoe reageerde hij op het nieuws?

fiber

/ˈfaɪ.bɚ/

(noun) vezel, voedingsvezel

Voorbeeld:

Cotton fibers are used to make fabric.
Katoenvezels worden gebruikt om stof te maken.

particle

/ˈpɑːr.t̬ə.kəl/

(noun) deeltje, spoor, subatomair deeltje;

(particle) partikel, voegwoord

Voorbeeld:

There wasn't a particle of dust in the room.
Er was geen deeltje stof in de kamer.

compound

/ˈkɑːm.paʊnd/

(noun) verbinding, mengsel, complex;

(verb) verergeren, versterken, samenstellen;

(adjective) samengesteld, complex

Voorbeeld:

Water is a chemical compound of hydrogen and oxygen.
Water is een chemische verbinding van waterstof en zuurstof.

bond

/bɑːnd/

(noun) band, verbinding, obligatie;

(verb) binden, hechten, een band opbouwen

Voorbeeld:

The prisoner was held by a strong bond.
De gevangene werd vastgehouden door een sterke band.

atomic

/əˈtɑː.mɪk/

(adjective) atomair, atoom-, minuscuul

Voorbeeld:

The scientist studied the atomic structure of the element.
De wetenschapper bestudeerde de atomaire structuur van het element.

nerve

/nɝːv/

(noun) zenuw, lef, moed;

(verb) aanmoedigen, sterken

Voorbeeld:

The doctor tested his reflexes to check his nerves.
De dokter testte zijn reflexen om zijn zenuwen te controleren.

parasite

/ˈper.ə.saɪt/

(noun) parasiet, profiteur

Voorbeeld:

Fleas are common parasites found on dogs and cats.
Vlooien zijn veelvoorkomende parasieten die op honden en katten worden gevonden.

instinct

/ˈɪn.stɪŋkt/

(noun) instinct, oerdrift, intuïtie

Voorbeeld:

Birds build nests by instinct.
Vogels bouwen nesten uit instinct.

acid

/ˈæs.ɪd/

(noun) zuur;

(adjective) zuur

Voorbeeld:

Sulfuric acid is a strong corrosive substance.
Zwavelzuur is een sterk corrosieve stof.

electron

/iˈlek.trɑːn/

(noun) elektron

Voorbeeld:

An electron orbits the nucleus of an atom.
Een elektron draait om de kern van een atoom.

vapor

/ˈveɪ.pɚ/

(noun) damp, nevel, ijle lucht;

(verb) verdampen, vernevelen

Voorbeeld:

The steam from the hot water created a thick vapor.
De stoom van het hete water creëerde een dikke damp.

glucose

/ˈɡluː.koʊs/

(noun) glucose, druivensuiker

Voorbeeld:

The body converts carbohydrates into glucose for energy.
Het lichaam zet koolhydraten om in glucose voor energie.

carbon

/ˈkɑːr.bən/

(noun) koolstof, carbonpapier

Voorbeeld:

Diamonds are a form of pure carbon.
Diamanten zijn een vorm van zuiver koolstof.

calcium

/ˈkæl.si.əm/

(noun) calcium

Voorbeeld:

Milk is a good source of calcium.
Melk is een goede bron van calcium.

nitrogen

/ˈnaɪ.trə.dʒən/

dissolve

/dɪˈzɑːlv/

(verb) oplossen, ontbinden, opheffen

Voorbeeld:

Sugar dissolves in water.
Suiker lost op in water.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland