Avatar of Vocabulary Set Natuurverschijnselen en milieu

Vocabulaireverzameling Natuurverschijnselen en milieu in Geavanceerde woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Natuurverschijnselen en milieu' in 'Geavanceerde woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

drizzle

/ˈdrɪz.əl/

(noun) motregen;

(verb) motregenen, druppelen, besprenkelen

Voorbeeld:

A fine drizzle was falling as we left the house.
Een fijne motregen viel toen we het huis verlieten.

inundate

/ˈɪn.ʌn.deɪt/

(verb) overstelpen, overspoelen, overstromen

Voorbeeld:

We have been inundated with requests for help.
We zijn overspoeld met verzoeken om hulp.

anticyclone

/ˌæn.t̬iˈsaɪ.kloʊn/

(noun) hogedrukgebied, anticycloon

Voorbeeld:

The prolonged dry spell was caused by a persistent anticyclone.
De langdurige droogte werd veroorzaakt door een aanhoudend hogedrukgebied.

archipelago

/ˌɑːr.kəˈpel.ə.ɡoʊ/

(noun) archipel

Voorbeeld:

Indonesia is the largest archipelago in the world.
Indonesië is de grootste archipel ter wereld.

aerosol

/ˈer.ə.sɑːl/

(noun) aerosol, spuitbus, zwevende deeltjes

Voorbeeld:

She used an aerosol can of hairspray.
Ze gebruikte een spuitbus haarlak.

deluge

/ˈdel.juːdʒ/

(noun) vloedgolf, overstroming, vloed;

(verb) overspoelen, overstromen, overweldigen

Voorbeeld:

The town was hit by a sudden deluge.
De stad werd getroffen door een plotselinge vloedgolf.

dew

/duː/

(noun) dauw;

(verb) bedauwen, bevochtigen

Voorbeeld:

The grass was wet with morning dew.
Het gras was nat van de ochtenddauw.

flurry

/ˈflɝː.i/

(noun) vlaag, drukte, sneeuwbui;

(verb) dwarrelen, verwarren

Voorbeeld:

There was a flurry of activity before the guests arrived.
Er was een vlaag van activiteit voordat de gasten arriveerden.

gust

/ɡʌst/

(noun) windvlaag, vlaag, uitbarsting;

(verb) waaien in vlagen, stormen

Voorbeeld:

A sudden gust of wind blew her hat off.
Een plotselinge windvlaag blies haar hoed af.

icicle

/ˈaɪ.sɪ.kəl/

(noun) ijspegel

Voorbeeld:

Long, sharp icicles hung from the eaves of the house.
Lange, scherpe ijspegels hingen aan de dakranden van het huis.

cirrus

/ˈsɪr.əs/

(noun) cirrus, vederwolk

Voorbeeld:

The sky was filled with delicate cirrus clouds that looked like feathers.
De lucht was gevuld met delicate cirruswolken die op veren leken.

nimbus

/ˈnɪm.bəs/

(noun) nimbus, aureool, regenwolk

Voorbeeld:

The saint was depicted with a golden nimbus around his head.
De heilige werd afgebeeld met een gouden nimbus om zijn hoofd.

precipitation

/priːˌsɪp.əˈteɪ.ʃən/

(noun) neerslag, precipitatie, uitfelling

Voorbeeld:

The forecast calls for a high chance of precipitation tomorrow.
De voorspelling geeft een grote kans op neerslag morgen.

thaw

/θɑː/

(verb) ontdooien, dooien, ontspannen;

(noun) dooi, ontdooiing

Voorbeeld:

Let the frozen chicken thaw in the refrigerator overnight.
Laat de bevroren kip 's nachts ontdooien in de koelkast.

biohazard

/ˌbaɪ.oʊˈhæz.ɚd/

(noun) biohazard, biologisch gevaar

Voorbeeld:

The spilled liquid was marked with a biohazard symbol.
De gemorste vloeistof was gemarkeerd met een biohazard symbool.

cataclysm

/ˈkæt̬.ə.klɪ.zəm/

(noun) cataclysme, ramp, natuurramp

Voorbeeld:

The eruption of the supervolcano caused a global cataclysm.
De uitbarsting van de supervulkaan veroorzaakte een wereldwijde cataclysme.

contamination

/kənˌtæm.əˈneɪ.ʃən/

(noun) verontreiniging, besmetting

Voorbeeld:

The river suffered from severe chemical contamination.
De rivier leed onder ernstige chemische verontreiniging.

effluent

/ˈef.lu.ənt/

(noun) afvalwater, effluent;

(adjective) uitstromend, afvloeiend

Voorbeeld:

The factory was fined for discharging untreated effluent into the river.
De fabriek kreeg een boete voor het lozen van onbehandeld afvalwater in de rivier.

epicenter

/ˈep.ə.sen.t̬ɚ/

(noun) epicentrum, kern

Voorbeeld:

The epicenter of the earthquake was located near the coast.
Het epicentrum van de aardbeving bevond zich nabij de kust.

eye

/aɪ/

(noun) oog, opening;

(verb) bekijken, observeren

Voorbeeld:

She has beautiful blue eyes.
Ze heeft prachtige blauwe ogen.

cascade

/kæsˈkeɪd/

(noun) waterval, cascade, reeks;

(verb) vallen, stromen, neerstromen

Voorbeeld:

The river flowed over a series of beautiful cascades.
De rivier stroomde over een reeks prachtige watervallen.

dike

/daɪk/

(noun) dijk;

(verb) indijken

Voorbeeld:

The engineers built a dike to protect the low-lying farmland.
De ingenieurs bouwden een dijk om de laaggelegen landbouwgrond te beschermen.

esplanade

/ˈes.plə.nɑːd/

(noun) esplanade, wandelweg

Voorbeeld:

We took a relaxing stroll along the esplanade at sunset.
We maakten bij zonsondergang een ontspannende wandeling over de esplanade.

estuary

/ˈes.tu.er.i/

(noun) riviermonding, estuarium

Voorbeeld:

Many species of fish and birds thrive in the rich ecosystem of the estuary.
Veel vis- en vogelsoorten gedijen in het rijke ecosysteem van de riviermonding.

gorge

/ɡɔːrdʒ/

(noun) kloof, ravijn;

(verb) volproppen, schrokken

Voorbeeld:

The river carved a deep gorge through the mountains.
De rivier sneed een diepe kloof door de bergen.

isthmus

/ˈɪsθ.məs/

(noun) landengte

Voorbeeld:

The Isthmus of Panama connects North and South America.
De landengte van Panama verbindt Noord- en Zuid-Amerika.

levee

/ˈlev.i/

(noun) dijk, rivierdijk;

(verb) bedijken, van een dijk voorzien

Voorbeeld:

The town was protected by a large levee.
De stad werd beschermd door een grote dijk.

meridian

/məˈrɪd.i.ən/

(noun) meridiaan, hoogtepunt, zenit

Voorbeeld:

The Prime Meridian passes through Greenwich, London.
De nulmeridiaan loopt door Greenwich, Londen.

morass

/məˈræs/

(noun) moeras, veen, wirwar

Voorbeeld:

The hikers found themselves stuck in a deep morass.
De wandelaars kwamen vast te zitten in een diep moeras.

plateau

/plætˈoʊ/

(noun) plateau, hoogvlakte, stagnatie;

(verb) stabiliseren, stagneren

Voorbeeld:

The explorers reached a vast plateau after a long climb.
De ontdekkingsreizigers bereikten een uitgestrekt plateau na een lange klim.

prairie

/ˈprer.i/

promontory

/ˈprɑː.mən.tɔːr/

(noun) landtong, kaap, voorgebergte

Voorbeeld:

The lighthouse stood on a rocky promontory, guiding ships safely to shore.
De vuurtoren stond op een rotsachtige landtong en leidde schepen veilig naar de kust.

tor

/tɔːr/

(noun) rotsheuvel, rotsformatie

Voorbeeld:

The hikers reached the summit of the tor after a long climb.
De wandelaars bereikten de top van de rotsheuvel na een lange klim.

tremor

/ˈtrem.ɚ/

(noun) trilling, beving, aardbeving

Voorbeeld:

There was a slight tremor in her voice as she spoke.
Er zat een lichte trilling in haar stem terwijl ze sprak.

zenith

/ˈziː.nɪθ/

(noun) zenit, hoogtepunt

Voorbeeld:

The Roman Empire reached its zenith in the 2nd century AD.
Het Romeinse Rijk bereikte zijn hoogtepunt in de 2e eeuw na Christus.

crepuscular

/krɪˈpʌs.kjə.lɚ/

(adjective) schemerig, schemer-, schemeractief

Voorbeeld:

The forest takes on a mysterious glow during the crepuscular hours.
Het bos krijgt een mysterieuze gloed tijdens de schemerige uren.

geothermal

/ˌdʒiː.oʊˈθɝː.məl/

(adjective) geothermisch

Voorbeeld:

Geothermal energy is a renewable resource.
Geothermische energie is een hernieuwbare bron.

seismic

/ˈsaɪz.mɪk/

(adjective) seismisch, enorm, gigantisch

Voorbeeld:

The region is prone to frequent seismic activity.
De regio is gevoelig voor frequente seismische activiteit.

tectonic

/tekˈtɑː.nɪk/

(adjective) tektonisch, bouwtechnisch, constructief

Voorbeeld:

The earthquake was caused by the movement of tectonic plates.
De aardbeving werd veroorzaakt door de beweging van tektonische platen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland